e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
bont en blauw slaan zwart en blauw houwen: zjwad ən blō gəhowə (Montzen) bont en blauw geslagen [RND] III-1-2
bonte specht, specht boomvogels: groepsnaam?  bomvoealə (Montzen), specht: sjpejət (Montzen) specht [ZND 07 (1924)] III-4-1
boog boog: bōͅg (Montzen), boͅ:ch (Montzen) boog [RND] || Hoe heet een boog dien de kinderen maken van een buigbaren stok en een koord? [ZND 32 (1939)] III-3-2
boogkorf lüneburger korf: lȳnǝburgǝr kø̄rǝf (Montzen) Langwerpige korf maar boogvormig aan de bovenzijde in de vorm van een broodtrommel, van stro gemaakt en met riet genaaid. De boogkorf is een tussenvorm tussen de oude, ronde strokorf en de moderne bijenkast. Een typisch voorbeeld van een boogkorf is de Gravenhorster boogkorf, die van stro over een mal gevlochten wordt en al naar gelang de grootte 9, 12 of 16 boograampjes bevat, welke in de kop van de korf door een zaag op de juiste afstand worden gehouden en van onderen met oognagels in de korfwand worden vastgezet (De Roever, pag. 170-171). De ramen zijn beweegbare, houten kaders die men naar believen uit de korf kan nemen of terugplaatsen. Een nadeel is dat, wanneer de vlechter niet al te minutieus heeft gewerkt of wanneer de korf door zijn gewicht gaat doorzakken, de raampjes niet meer uitneembaar zijn. Het principe van de Gravenhorster boogkorf is, dat hij is ontstaan door de combinatie van het goedkope materiaal stro en de voordelen van de losse bouw, namelijk ramen. [N 63, 3d; N 63, 2b; N 63, 3c] II-6
boom boom: bōm (Montzen) Het zware, staande gedeelte van de draaiboom. Zie afb. 16. [N 57A, 4.1; N 57, 9 add.] II-2
boom (alg.) bome (enkelv.): bome enkelv (Montzen), boom: bo:m (Montzen), bōm (Montzen), buim (mv.): boom mv (Montzen) boom [Heem 04.1 (1960)], [Heem 13.5-6 (1969)], [RND] III-4-3
boomgaard boomgaard: bomert (Montzen), bomərt (Montzen), boŋgāt (Montzen, ... ) boomgaard [ZND 01 (1922)] I-7
boomstronk boomwortel: boomwottel (Montzen), storkel: störekel (Montzen), störkel (Montzen), stronk: schtroŋk (Montzen), vot: vot (Montzen) boomstronk [ZND 07 (1924)] III-4-3
boon, algemeen bonen: bǫnǝ (Montzen), boon: bǫn (Montzen) Phaseolus L. Zoals bij de erwt gaat ook hier het lemma met de algemene benaming vooraf aan de namen van specifieke soorten. Enkelvouden en meervouden zijn apart gehouden. [JG 1a, 1b, 1c; L 1, a-m; L 1u, 21; L 8, 84; L 22, 3a; S 4; Wi 14; monogr.; add. uit N P, 23] I-5
boorijzer boor: bōǝr (Montzen) Werktuig om ronde gaten te maken in hout of metaal, bestaande uit een metalen staaf met snijdende delen. Het boorijzer wordt bevestigd in een handvat, een booromslag of in de kop van een boormachine. [N 53, 160a; N 53, 161b; monogr.] II-12