| 17877 |
bont en blauw slaan |
zwart en blauw houwen:
zjwad ən blō gəhowə (Q253p Montzen)
|
bont en blauw geslagen [RND]
III-1-2
|
| 24125 |
bonte specht, specht |
boomvogels:
groepsnaam?
bomvoealə (Q253p Montzen),
specht:
sjpejət (Q253p Montzen)
|
specht [ZND 07 (1924)]
III-4-1
|
| 22552 |
boog |
boog:
bōͅg (Q253p Montzen),
boͅ:ch (Q253p Montzen)
|
boog [RND] || Hoe heet een boog dien de kinderen maken van een buigbaren stok en een koord? [ZND 32 (1939)]
III-3-2
|
| 28414 |
boogkorf |
lüneburger korf:
lȳnǝburgǝr kø̄rǝf (Q253p Montzen)
|
Langwerpige korf maar boogvormig aan de bovenzijde in de vorm van een broodtrommel, van stro gemaakt en met riet genaaid. De boogkorf is een tussenvorm tussen de oude, ronde strokorf en de moderne bijenkast. Een typisch voorbeeld van een boogkorf is de Gravenhorster boogkorf, die van stro over een mal gevlochten wordt en al naar gelang de grootte 9, 12 of 16 boograampjes bevat, welke in de kop van de korf door een zaag op de juiste afstand worden gehouden en van onderen met oognagels in de korfwand worden vastgezet (De Roever, pag. 170-171). De ramen zijn beweegbare, houten kaders die men naar believen uit de korf kan nemen of terugplaatsen. Een nadeel is dat, wanneer de vlechter niet al te minutieus heeft gewerkt of wanneer de korf door zijn gewicht gaat doorzakken, de raampjes niet meer uitneembaar zijn. Het principe van de Gravenhorster boogkorf is, dat hij is ontstaan door de combinatie van het goedkope materiaal stro en de voordelen van de losse bouw, namelijk ramen. [N 63, 3d; N 63, 2b; N 63, 3c]
II-6
|
| 25883 |
boom |
boom:
bōm (Q253p Montzen)
|
Het zware, staande gedeelte van de draaiboom. Zie afb. 16. [N 57A, 4.1; N 57, 9 add.]
II-2
|
| 24472 |
boom (alg.) |
bome (enkelv.):
bome enkelv (Q253p Montzen),
boom:
bo:m (Q253p Montzen),
bōm (Q253p Montzen),
buim (mv.):
boom mv (Q253p Montzen)
|
boom [Heem 04.1 (1960)], [Heem 13.5-6 (1969)], [RND]
III-4-3
|
| 33511 |
boomgaard |
boomgaard:
bomert (Q253p Montzen),
bomərt (Q253p Montzen),
boŋgāt (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
boomgaard [ZND 01 (1922)]
I-7
|
| 24511 |
boomstronk |
boomwortel:
boomwottel (Q253p Montzen),
storkel:
störekel (Q253p Montzen),
störkel (Q253p Montzen),
stronk:
schtroŋk (Q253p Montzen),
vot:
vot (Q253p Montzen)
|
boomstronk [ZND 07 (1924)]
III-4-3
|
| 33280 |
boon, algemeen |
bonen:
bǫnǝ (Q253p Montzen),
boon:
bǫn (Q253p Montzen)
|
Phaseolus L. Zoals bij de erwt gaat ook hier het lemma met de algemene benaming vooraf aan de namen van specifieke soorten. Enkelvouden en meervouden zijn apart gehouden. [JG 1a, 1b, 1c; L 1, a-m; L 1u, 21; L 8, 84; L 22, 3a; S 4; Wi 14; monogr.; add. uit N P, 23]
I-5
|
| 27345 |
boorijzer |
boor:
bōǝr (Q253p Montzen)
|
Werktuig om ronde gaten te maken in hout of metaal, bestaande uit een metalen staaf met snijdende delen. Het boorijzer wordt bevestigd in een handvat, een booromslag of in de kop van een boormachine. [N 53, 160a; N 53, 161b; monogr.]
II-12
|