e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
winkelhaak vijf/fünf: vōf (Montzen) Rechthoekige scheur in een kledingstuk. Een mogelijk verklaring van het woordtype vijf (c.q. fünf) geeft het WNT (XXI, pag. 536 s.v. ɛvijfɛ 4): ø̄Wat den vorm heeft van een cijfer ɛvijfɛ. Gewest. in het Zuiden als ben. voor een winkelhaak (scheur), die aan een Romeinse V doet denkenø̄.' [N 59, 192b; N 62, 43b; N 62, 43c; Gi 1.IV, 11; MW; S 44; monogr.] II-7
winnen gewinnen: gəweͅnə (Montzen), Inf.; - gewon (won), gewone (gewonnen).  gəweͅ.nə (Montzen), winnen: weͅnə (Montzen), wénə (Montzen) III. Winnen; hij won; gewonnen. [ZND 25 (1937)] || Winnen, "gewinnen". [ZND m] || Winnen. [ZND m] III-3-2
winterkoninkje koninkje: köneŋke (Montzen), roitelet (fr.): roitelet (Montzen) winterkoninkje [ZND 34 (1940)] III-4-1
wintertros druif: druf (Montzen) De kogelvormige tros van bijen die dicht op elkaar de winter doorgaan. [N 63, 54b; N 63, 54a] II-6
wintervoedsel bijensokker: bejǝsokǝr (Montzen) Voedsel, meestal bestaande uit gesmolten suiker met water, dat vóór de winter aan de bijen wordt gegeven in de plaats van de hen ontnomen honing. Vroeger gaf men de bijen ook wel een speciale honing, de voederhoning of stamphoning. Een minimum-voorraad van ongeveer 15 kg per krachtig volk is wel vereist. [N 63, 109a; Ge 37, 193; monogr.] II-6
wintervoerbak voertob: vōrtob (Montzen) Bak, bord of klomp waarin het voedsel wordt toegediend. [N 63, 109b; monogr.] II-6
winterwortelen moren: mūǝrǝ (Montzen) Daucus carota L. subsp. sativus (Hoffm.) Arcang. Bedoeld zijn hier de winterwortelen (of winterpenen) die op de akker worden geteeld, zowel als veevoeder, alsook voor de consumptie door mensen, met name voor de hutspot. De fijne variëteit tuinworteltjes komt in de aflevering over de moestuin aan bod. [N Q, 6c; JG 1a, 1b, 2c; A 4, 26c; A 49, 2b; L B2, 342; L 8, 100b; L 15, 29; L 20, 26c; Wi 7; S 45; monogr.] I-5
wipneus stoepneus: ṣtupnās (Montzen) Wipneus (stoepneus, topneus). [N 109 (2001)] III-1-1
wis wats: wats (Montzen), wis: węs (Montzen) Lange buigzame twijg waarmee vlechtwerk wordt gemaakt. [N 40, 1; L A1, 199; N 38, 6 add.; monogr.] II-12
wisselende misgezangen veranderlijke misgezangen: de vərɛndərləgə mēsgəzɛŋ (Montzen) De wisselende misgezangen [Introïtus, Graduale, Tractus, Alleluia, Sequentia, Offertorium, Communio]. [N 96B (1989)] III-3-3