| 18434 |
winkelhaak |
vijf/fünf:
vōf (Q253p Montzen)
|
Rechthoekige scheur in een kledingstuk. Een mogelijk verklaring van het woordtype vijf (c.q. fünf) geeft het WNT (XXI, pag. 536 s.v. ɛvijfɛ 4): ø̄Wat den vorm heeft van een cijfer ɛvijfɛ. Gewest. in het Zuiden als ben. voor een winkelhaak (scheur), die aan een Romeinse V doet denkenø̄.' [N 59, 192b; N 62, 43b; N 62, 43c; Gi 1.IV, 11; MW; S 44; monogr.]
II-7
|
| 22770 |
winnen |
gewinnen:
gəweͅnə (Q253p Montzen),
Inf.; - gewon (won), gewone (gewonnen).
gəweͅ.nə (Q253p Montzen),
winnen:
weͅnə (Q253p Montzen),
wénə (Q253p Montzen)
|
III. Winnen; hij won; gewonnen. [ZND 25 (1937)] || Winnen, "gewinnen". [ZND m] || Winnen. [ZND m]
III-3-2
|
| 24279 |
winterkoninkje |
koninkje:
köneŋke (Q253p Montzen),
roitelet (fr.):
roitelet (Q253p Montzen)
|
winterkoninkje [ZND 34 (1940)]
III-4-1
|
| 28554 |
wintertros |
druif:
druf (Q253p Montzen)
|
De kogelvormige tros van bijen die dicht op elkaar de winter doorgaan. [N 63, 54b; N 63, 54a]
II-6
|
| 28636 |
wintervoedsel |
bijensokker:
bejǝsokǝr (Q253p Montzen)
|
Voedsel, meestal bestaande uit gesmolten suiker met water, dat vóór de winter aan de bijen wordt gegeven in de plaats van de hen ontnomen honing. Vroeger gaf men de bijen ook wel een speciale honing, de voederhoning of stamphoning. Een minimum-voorraad van ongeveer 15 kg per krachtig volk is wel vereist. [N 63, 109a; Ge 37, 193; monogr.]
II-6
|
| 28637 |
wintervoerbak |
voertob:
vōrtob (Q253p Montzen)
|
Bak, bord of klomp waarin het voedsel wordt toegediend. [N 63, 109b; monogr.]
II-6
|
| 33238 |
winterwortelen |
moren:
mūǝrǝ (Q253p Montzen)
|
Daucus carota L. subsp. sativus (Hoffm.) Arcang. Bedoeld zijn hier de winterwortelen (of winterpenen) die op de akker worden geteeld, zowel als veevoeder, alsook voor de consumptie door mensen, met name voor de hutspot. De fijne variëteit tuinworteltjes komt in de aflevering over de moestuin aan bod. [N Q, 6c; JG 1a, 1b, 2c; A 4, 26c; A 49, 2b; L B2, 342; L 8, 100b; L 15, 29; L 20, 26c; Wi 7; S 45; monogr.]
I-5
|
| 17612 |
wipneus |
stoepneus:
ṣtupnās (Q253p Montzen)
|
Wipneus (stoepneus, topneus). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 32461 |
wis |
wats:
wats (Q253p Montzen),
wis:
węs (Q253p Montzen)
|
Lange buigzame twijg waarmee vlechtwerk wordt gemaakt. [N 40, 1; L A1, 199; N 38, 6 add.; monogr.]
II-12
|
| 23582 |
wisselende misgezangen |
veranderlijke misgezangen:
de vərɛndərləgə mēsgəzɛŋ (Q253p Montzen)
|
De wisselende misgezangen [Introïtus, Graduale, Tractus, Alleluia, Sequentia, Offertorium, Communio]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|