| 19835 |
wonen |
wonen:
wānən (Q253p Montzen),
wonə (Q253p Montzen),
w‧nə (Q253p Montzen)
|
wonen [ZND 08 (1925)], [ZND m]
III-2-1
|
| 19720 |
woonkamer, huiskamer |
stoefje:
štyfkə (Q253p Montzen)
|
woonkamer [ZND m]
III-2-1
|
| 21267 |
woord |
woord:
wŏət (Q253p Montzen),
wu.at (Q253p Montzen),
wòat, woeatsche, woeat (Q253p Montzen)
|
Een woord, een woordje, dat zijn schone woorden. [ZND 08 (1925)] || woord [RND], [ZND m]
III-3-1
|
| 30806 |
worm- en horzelgat |
beet:
bet (Q253p Montzen)
|
Gat in het leer, veroorzaakt door een horzelsteek. Runderhorzels leggen hun eieren in de huid van de koe. Als de larven er weer uit zijn gekropen, blijft er een klein gaatje over, dat weliswaar weer dichtgroeit, maar toch altijd een zwakke en lelijke plek in het leer blijft geven (Liedmeier, pag. 2). Steken van andere insecten kunnen dezelfde kwaliteitsverminderende invloed op het leer hebben. [N 60, 7b; N 36, 7]
II-10
|
| 20853 |
worst |
worst:
wooəsj (Q253p Montzen),
woͅ.a‧š (Q253p Montzen)
|
worst [ZND 04 (1924)]
III-2-3
|
| 32970 |
wortel |
wortel:
wo ̞tsǝl (Q253p Montzen),
wǫ.tǝl (Q253p Montzen),
wǫtǝl (Q253p Montzen)
|
Het deel van de plant dat onder de grond blijft. Het is in de materiaalverzamelingen overal duidelijk gemaakt dat het niet om groente gaat. Vergelijk daartoe de lemma''s ''winterwortel'' en ''tuinworteltje'' in de aflevering over de moestuin. [JG 1a, 1b; L 8, 100a; L 15, 28; S 45; monogr.]
I-4
|
| 33563 |
worteltje |
moortjes:
mörrekere (Q253p Montzen)
|
De kleine soort penen die men in de moestuin kweekt [N Q (1966)]
I-7
|
| 17679 |
wreef |
wringel:
vreŋǝl (Q253p Montzen)
|
Het hoogste deel van de voorzijde van de voet. [N 60, 36, N 60, 15b]
II-10
|
| 18436 |
wreef [wld ii.10, p. 23-24] |
wringel:
vreŋəl (Q253p Montzen)
|
Het hoogste deel van de voorzijde van de voet? (wreef, wrijf)? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 17892 |
wrijven |
wrijven:
vrīvə (Q253p Montzen)
|
wrijven [ZND m]
III-1-2
|