| 17922 |
wringen |
wringen:
vre`ŋə (Q253p Montzen)
|
wringen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 17888 |
wroeten |
woelen:
wy(3)̄lə (Q253p Montzen),
wroetelen:
vrø̜tǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Met de snuit in de grond wroeten, gezegd van het varken. Zie afbeelding 3. [JG 1a, 1b, 2c; L monogr.; Wi 56; S 45; monogr.] || Wroeten: al woelend en zoekend graven in de grond (modden, wroeten, wroetelen, woelen) [N 108 (2001)]
I-12, III-1-2
|
| 32999 |
zaad, zaaigoed |
gezaamd:
gǝsø̜mt (Q253p Montzen),
gezaams:
gǝzūms (Q253p Montzen),
zaam:
zǭm (Q253p Montzen
[(m)]
)
|
Hetgeen men uitstrooit, zaait op het land; de verzamelnaam. Zie voor het enkelvoudige begrip "zaadje" achterin het lemma. Vergelijk ook het lemma graankorrel (2.6). De typen gezaads en gezaams worden voornamelijk gebruikt voor (tuin)zaden. (m) achter de plaatscode geeft aan dat uitdrukkelijk is opgegeven dat ''zaad'' er een "de-woord" is. [N M, 22; JG 1a, 1b; Wi 5; RND 111; monogr.]
I-4
|
| 27431 |
zaag |
zeeg:
z ̇ē̜x (Q253p Montzen)
|
Snijwerktuig, dat bestaat uit een platte strook staal die aan één zijde van tanden voorzien is. De strook is bevestigd in een handvat of in een spanraam. Zie ook de lemmata ɛhandzaagɛ en ɛspanzaagɛ.' [S 45; L 8, 101; N 53, 1a; monogr.]
II-12
|
| 32996 |
zaaien |
zaaien:
zīǝnǝ (Q253p Montzen),
z˙īǝi̯ǝ (Q253p Montzen)
|
[N 15, 1a; JG 1a, 1b; A 2, 70; L A2, 234; L 8, 102; L 24, 6a; S 45; Wi 40; RND 111; monogr.]
I-4
|
| 18526 |
zak met klep |
tas met een klep:
met v-tje op de
ən tɛ̄jš met ən klɛp (Q253p Montzen)
|
een zak met een klep [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18186 |
zakdoek |
snuitenplag:
sjnuutəplak (Q253p Montzen),
snuitesplag:
schnütesplak (Q253p Montzen),
tassenplag:
tesjəplak (Q253p Montzen)
|
Zakneusdoek (fr. mouchoir). [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 28839 |
zakkenvoering |
tessenstof:
tē̜jšǝštōf (Q253p Montzen)
|
Voering van de zakken. In de regel een dicht geweven, soepele stof van katoen of een mengsel van katoen en synthetische garens. Ook gebruikt men katoenen voering in keperbinding. [N 59, 120; Gi 1.IV, 27]
II-7
|
| 23226 |
zalig |
gelukzalig:
glöcksĕlech nöjōr (Q253p Montzen),
gløkzĕləX (Q253p Montzen),
zalig:
zĕləX (Q253p Montzen)
|
Zalig (of Gelukkig, enz.) Nieuwjaar! [ZND 05 (1924)] || Zalig, gelukzalig [zaalig, zaolig, zeelig]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24070 |
zaliger gedachtenis |
... zaliger:
zeləgər (Q253p Montzen)
|
Zaliger gedachtenis (vader/moeder/..). [N 96D (1989)]
III-3-3
|