| 23915 |
zaligheid |
zaligheid:
də zĕləXhēt (Q253p Montzen)
|
Zaligheid. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 33678 |
zand, zandgrond |
zand:
zant (Q253p Montzen),
zānt (Q253p Montzen),
zavel:
zāvǝl (Q253p Montzen)
|
Zand is steenstof, een geologische formatie die uit losse, fijne korrels kwarts en glimmer bestaat. Zandgrond is de grondsoort die uit zand bestaat, en is lichte, niet zoʔn vruchtbare grond. Zavel bestaat voornamelijk uit zand met wat lichte klei. [N 27, 40; Wi 52; S 45; L 7, 61a; L 8, 103; N 11, 2f add.; N 18, add.; A 10, 4; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 23859 |
zandfiguren bij de processie |
sterren:
??
sjtɛ̄rə (Q253p Montzen)
|
De zandfiguren die op straten en stoepen worden gestrooid. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 22697 |
zang |
gezang:
gezâŋk (Q253p Montzen)
|
Gezang. [ZND m]
III-3-2
|
| 24283 |
zanglijster, lijster |
lijster:
lîster (Q253p Montzen)
|
lijster [ZND 01 (1922)]
III-4-1
|
| 21403 |
zaniken, zeuren |
bazelen:
bažele (Q253p Montzen)
|
Hij kan zaniken (zeuren; tot vervelens toe over hetzelfde praten). [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|
| 23614 |
zedenpreek |
predik:
də prɛ̄dəch (Q253p Montzen)
|
Een zedenpreek, vermanende zedenles, sermoen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18972 |
zedig |
fatsoen:
fatsūn (Q253p Montzen),
fatsoenlijk:
fatsüŋləX (Q253p Montzen)
|
Zedig. [N 96D (1989)] || Zedigheid. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 25907 |
zeef van paardenhaar |
zij van paardshaar:
zej va pɛǝtshǭr (Q253p Montzen)
|
Een ronde zeef vervaardigd van paardenhaar. [N 57, 20c]
II-2
|
| 25906 |
zeefdoek |
zijdoek:
zējdōk (Q253p Montzen)
|
Het doek dat men in de koperen zeef legt. In L 387 had men geen koperen zeef en gebruikte men alleen de jute zakken als zeef. De "fijne draad" die men in Q 0112 toepaste valt te vergelijken met de dunne draad die men gebruikte in een hor. [N 57, 20b]
II-2
|