e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
zoom zoom: zōǝm (Montzen) De omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk weefsel of een kledingstuk. Volgens Het Beste Naaiboek (pag. 290) zijn er drie soorten zomen: de omgeslagen zoom, de valse zoom en de apart aangezette zoom. Zie afb. 38. [N 62, 14a; L 8, 126; Gi 1.IV, 15; MW; S 46; monogr.] II-7
zoon zoon: zóón (Montzen) zoon [ZND 11 (1925)] III-2-2
zuinig genauw: gənow (Montzen), nauw: hèa ez ezö neu (Montzen), hèa éz ezö naü (Montzen), näû (Montzen), nøͅ.i (Montzen), spaarzaam: hèjə ès sjpaarzaam (Montzen), spaarzaam (Montzen) Hij is zo spaarzaam (nauwziend, hij houdt het bijeen, en andere uidrukkingen met dezelfde betekenis). [ZND 07 (1924)] III-3-1
zuster begijn: ən bəgiŋ (Montzen), zuster: zèùstər (Montzen), zéústər (Montzen), zöster (Montzen), zöstər (Montzen), zøster (Montzen), zø̄.stər (Montzen), zø͂ͅster (Montzen) Een lid van een vrouwelijke geestelijke orde, zuster, non [zuster, non, maseur, begijn]. [N 96D (1989)] || zuster [ZND 04 (1924)], [ZND 11 (1925)] || Zuster. [ZND 11 (1925)] III-2-2, III-3-3
zuur oprispen rupsen met een zure smaak: røpṣə met ənə zūrə ṣmāk (Montzen) Oprisping hebben, gepaard gaande met een zure smaak in de mond. [N 109 (2001)] III-1-2
zuurdeeg desem: dē.sǝm (Montzen), dēsǝm (Montzen), dęsǝm (Montzen) Door gisting verzuurd deeg, gebruikt als rijsmiddel om nieuw brood te maken. Het is overschot van het deeg dat de vorige keer is gebakken. Met zuurdeeg wordt roggebrood gebakken, terwijl voor witbrood brouwersgist wordt gebruikt. Het zuurdeeg wordt in een bepaalde vorm, meestal broodvorm, gekneed en aan de bovenkant van een gaatje voorzien waarin een handvol zout wordt gedaan. Ook maakt men met de vinger wel eens een kruisje waarop men dan zout strooit. Tot de volgende bakdag wordt het zuurdeeg in de baktrog of in een doek of pot of in de kelder bewaard. Voor het gebruik wordt de droge korst van het zuurdeeg afgesneden en de rest in warm water gebrokkeld en geweekt (Weyns blz. 45). [N 29, 23a; N 16, 75; N 29, 23b; L 1a-m; L 2, 21b; LB 2, 236; OB 2, 4; OB 2, 6; JG 1b add.; S 6; S 6 add.; monogr.] II-1
zuurdesem desem: deesəm (Montzen), dessem (Montzen), dêsem (Montzen) zuurdesem: een beetje deeg overgehouden van de vorige maal (Fr. levain) [ZND 02 (1923)] III-2-3
zuurkool zuurmoes: zurmós (Montzen), zûrmôs (Montzen) zuurkool [ZND 08 (1925)] III-2-3
zwaaien wenken: weŋke (Montzen) Zwaaien: ritmisch heen en weer bewegen, b.v. de armen (zwaaien, schwingen, zwingelen, wenken) [N 108 (2001)] III-1-2
zwaaien met het wierookvat met het wierooksvat zwenken: met ət wīroksvat zjwēŋkə (Montzen) (met) het wierookvat zwaaien. [N 96B (1989)] III-3-3