| 28991 |
zoom |
zoom:
zōǝm (Q253p Montzen)
|
De omgeslagen en vastgenaaide rand aan een stuk weefsel of een kledingstuk. Volgens Het Beste Naaiboek (pag. 290) zijn er drie soorten zomen: de omgeslagen zoom, de valse zoom en de apart aangezette zoom. Zie afb. 38. [N 62, 14a; L 8, 126; Gi 1.IV, 15; MW; S 46; monogr.]
II-7
|
| 20189 |
zoon |
zoon:
zóón (Q253p Montzen)
|
zoon [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 21324 |
zuinig |
genauw:
gənow (Q253p Montzen),
nauw:
hèa ez ezö neu (Q253p Montzen),
hèa éz ezö naü (Q253p Montzen),
näû (Q253p Montzen),
nøͅ.i (Q253p Montzen),
spaarzaam:
hèjə ès sjpaarzaam (Q253p Montzen),
spaarzaam (Q253p Montzen)
|
Hij is zo spaarzaam (nauwziend, hij houdt het bijeen, en andere uidrukkingen met dezelfde betekenis). [ZND 07 (1924)]
III-3-1
|
| 20336 |
zuster |
begijn:
ən bəgiŋ (Q253p Montzen),
zuster:
zèùstər (Q253p Montzen),
zéústər (Q253p Montzen),
zöster (Q253p Montzen),
zöstər (Q253p Montzen),
zøster (Q253p Montzen),
zø̄.stər (Q253p Montzen),
zø͂ͅster (Q253p Montzen)
|
Een lid van een vrouwelijke geestelijke orde, zuster, non [zuster, non, maseur, begijn]. [N 96D (1989)] || zuster [ZND 04 (1924)], [ZND 11 (1925)] || Zuster. [ZND 11 (1925)]
III-2-2, III-3-3
|
| 18033 |
zuur oprispen |
rupsen met een zure smaak:
røpṣə met ənə zūrə ṣmāk (Q253p Montzen)
|
Oprisping hebben, gepaard gaande met een zure smaak in de mond. [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 20626 |
zuurdeeg |
desem:
dē.sǝm (Q253p Montzen),
dēsǝm (Q253p Montzen),
dęsǝm (Q253p Montzen)
|
Door gisting verzuurd deeg, gebruikt als rijsmiddel om nieuw brood te maken. Het is overschot van het deeg dat de vorige keer is gebakken. Met zuurdeeg wordt roggebrood gebakken, terwijl voor witbrood brouwersgist wordt gebruikt. Het zuurdeeg wordt in een bepaalde vorm, meestal broodvorm, gekneed en aan de bovenkant van een gaatje voorzien waarin een handvol zout wordt gedaan. Ook maakt men met de vinger wel eens een kruisje waarop men dan zout strooit. Tot de volgende bakdag wordt het zuurdeeg in de baktrog of in een doek of pot of in de kelder bewaard. Voor het gebruik wordt de droge korst van het zuurdeeg afgesneden en de rest in warm water gebrokkeld en geweekt (Weyns blz. 45). [N 29, 23a; N 16, 75; N 29, 23b; L 1a-m; L 2, 21b; LB 2, 236; OB 2, 4; OB 2, 6; JG 1b add.; S 6; S 6 add.; monogr.]
II-1
|
| 20541 |
zuurdesem |
desem:
deesəm (Q253p Montzen),
dessem (Q253p Montzen),
dêsem (Q253p Montzen)
|
zuurdesem: een beetje deeg overgehouden van de vorige maal (Fr. levain) [ZND 02 (1923)]
III-2-3
|
| 20679 |
zuurkool |
zuurmoes:
zurmós (Q253p Montzen),
zûrmôs (Q253p Montzen)
|
zuurkool [ZND 08 (1925)]
III-2-3
|
| 17883 |
zwaaien |
wenken:
weŋke (Q253p Montzen)
|
Zwaaien: ritmisch heen en weer bewegen, b.v. de armen (zwaaien, schwingen, zwingelen, wenken) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 23561 |
zwaaien met het wierookvat |
met het wierooksvat zwenken:
met ət wīroksvat zjwēŋkə (Q253p Montzen)
|
(met) het wierookvat zwaaien. [N 96B (1989)]
III-3-3
|