| 18099 |
breuk |
breuk:
br".ək (Q253p Montzen)
|
hij heeft een breuk (in de buik; Fr. hernie) [ZND 22 (1936)]
III-1-2
|
| 21250 |
brief |
brief:
bri:f (Q253p Montzen),
brī:f (Q253p Montzen)
|
brief [RND], [ZND m]
III-3-1
|
| 34651 |
brik |
brik:
bręk (Q253p Montzen)
|
Vierwielig hoog rijtuig waar men van achteren in gaat en waarin de banken tegen de zijwanden van de bak geplaatst zijn. De koetsier heeft een aparte bok. Dit type rijtuig werd vaak door deftige heren gebruikt om op jacht te gaan. [N 17, 5; N 101, 11; N G, 51; monogr]
I-13
|
| 28470 |
broed |
broed:
brūt (Q253p Montzen)
|
Het geheel van eieren en larven in het broednest, onderverdeeld in open broed (eitjes en larven) en gesloten broed (het popstadium). [N 63, 20a; N 63, 18; Ge 37, 64]
II-6
|
| 28468 |
broed aanzetten |
broed maken:
brūt mākǝ (Q253p Montzen)
|
Begin van vorming van het broednest. De koningin legt bevruchte en onbevruchte eieren in de cellen. Uit de bevruchte eieren komen de werkbij en de koningin of moer, uit de onbevruchte de dar. [N 63, 18]
II-6
|
| 34499 |
broeden, op eieren zitten |
broeden:
brȳnǝ (Q253p Montzen),
brø̄nǝ (Q253p Montzen),
kloeken:
klukǝ (Q253p Montzen)
|
[N 19, 45; N 19, 44d; Vld.; S 5; L 1a-m; L 22, 22; JG 1a, 1b; monogr.]
I-12
|
| 34504 |
broedende kip op eieren |
kloek:
kluk (Q253p Montzen)
|
[N 19, 43a; JG 1a, 1b, 2c; L 14, 21; A 6, 1c; S 5; L B2, 320; monogr.]
I-12
|
| 20216 |
broeder |
broeder:
brōr (Q253p Montzen),
brū:r (Q253p Montzen),
e gêt nŏ gen schūël bêj de brö:r (Q253p Montzen),
hèjə geet iegən sjoewəl biedə brödər (Q253p Montzen),
ənə brōdər (Q253p Montzen)
|
Broeder. [ZND 01 (1922)], [ZND 11 (1925)] || Broeder: hij gaat naar school bij de broeders. [ZND 05 (1924)] || Een lager lid van een kloosterorde die geen kerkelijke wijding bezit, broeder [bruur, broeder]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23228 |
broeder-onderwijzer |
schoolbroeder:
ənə sjuəlbrōdər (Q253p Montzen)
|
Een broeder onderwijzer, frater [fra, sjefra]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23873 |
broedermeester |
broedermeester:
dər brōdərmēstər (Q253p Montzen)
|
De persoon die tijdens de bidprocessies (op St. Marcus en de kruisdagen) met een staf beurtelings de voorbiddende en de nabiddende rij aanwees (broedermeester). [N 96C (1989)]
III-3-3
|