| 23475 |
de noodklok luiden |
tumpen:
tōmpe (Q253p Montzen)
|
Het luiden van deze klok. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23694 |
de portiuncula-aflaat verdienen |
portiunculen:
porsioŋkələ (Q253p Montzen)
|
De kerk in- en uitgaan bij het bidden van de toties-qoties-aflaat. Dat kon men doen: a)op het Portiuncula-feest, b)op het feest van O.L. Vrouw van de Rozenkrans (7 oktober) en c)in de namiddag en avond van Allerheiligen en op de dag van Allerzielen. [pars [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28603 |
de raat uitbreken |
uitbreken:
utbrɛǝkǝ (Q253p Montzen)
|
Uitbreken van de raat bij het oogsten van de honing. Het volk is dan verwijderd. [N 63, 81a]
II-6
|
| 23290 |
de roepen krijgen |
de roepen krijgen:
də røp kriə (Q253p Montzen)
|
De roepen krijgen, afgeroepen worden in de kerk, "onder de geboden staan", "onder de roepen zijn", "in de roepen gaan". [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23723 |
de rozenkrans bidden bij een overledene |
rosaire (fr.) beden:
dər rozɛ̄r bɛ̄nə (Q253p Montzen)
|
De Rozenkrans (= 3 Rozenhoedjes) bidden bij een overledene. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18063 |
de stuipen krijgen |
een begaafte krijgen:
ən begoudə kriə (Q253p Montzen)
|
stuipen: De stuipen hebben: een aanval van stuipen hebben (stuipen, stuiptrekken, begaovings, spinneweven). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 24036 |
de toog aankrijgen |
ingekleed worden:
ɛɛgəklejt wɛədə (Q253p Montzen)
|
De toog/het habijt aankrijgen, gekleed worden. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 19640 |
de was blauwen |
blauwen:
bläue (Q253p Montzen)
|
blauwen [ZND 08 (1925)]
III-2-1
|
| 19681 |
de was bleken |
bleken:
ble͂.kə (Q253p Montzen)
|
de was op de bleek leggen [ZND 21 (1936)]
III-2-1
|
| 23470 |
de zondag inluiden |
zondag luiden:
zōndeXloege (Q253p Montzen)
|
Het luiden van de klokken op zaterdagavond na het angelus [zondag luiden, de zondag inluiden?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|