| 23468 |
doordeweekse mis |
werkdagsmis:
wɛrəkdachsmēs (Q253p Montzen)
|
Een door-de-weekse mis. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 31102 |
doorgenaaid werk |
naaiwerk:
niǝnwęrǝk (Q253p Montzen)
|
Het schoenwerk dat met de doornaai-methode vervaardigd wordt. [N 60, 161b]
II-10
|
| 28983 |
doorgestikte naad |
doorgenaaide siernaad:
(mv)
dørǝxgǝnedǝ sērnø̜̄t (Q253p Montzen),
siernaad:
(mv)
sērnø̜̄t (Q253p Montzen)
|
Doorgestikte naden als decoratie. Naden worden doorgestikt aan de goede kant van de stof. Doorstikken is een uitstekende techniek voor het accentueren van een bepaald detail, het plathouden van de naadtoeslagen en het decoreren van effen stof (Het Beste Naaiboek, pag. 152). [N 59, 58]
II-7
|
| 24477 |
doorn, stekel |
doorn:
doͅan (Q253p Montzen)
|
doornen [RND]
III-4-3
|
| 31103 |
doornaaiels |
dikke zuil:
dekǝ zyl (Q253p Montzen)
|
De els voor het grove werk o.a. voor het doornaaien. "De els voor het doornaaien moet bijna recht en niet dik zijn. Deze els moet bijna recht zijn: 1) omdat zij een grote drukking moet onderstaan bij het doorsteken van de zool - soms nog den rand inbegrepen -, bovenleder en binnenzool; 2) om recht door te steken en aldus de buitenzool op haar plaats te houden en niet naast de binnenzool te naaien of er ook niet te ver op." (Aras II, pag. 240). [N 60, 179]
II-10
|
| 23738 |
doornenkroon |
doornenkroon:
də doəne kruən (Q253p Montzen)
|
De doornenkroon, een kroon van doornen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20848 |
dopen |
dopen:
d"pə (Q253p Montzen),
dôpe (Q253p Montzen),
döpe (Q253p Montzen),
dø.pə (Q253p Montzen),
dø:pə (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
doopen (dopen) [RND] || dopen [RND] || Dopen. [N 96D (1989)], [ZND 01 (1922)]
III-3-3
|
| 21311 |
dorp |
dorp:
de būre haŏwe vôf ös ĕn nüŋ kö: ĕn twĕlef schōp föar et töreb brât, dĭ wŏlen ze verkôpe (Q253p Montzen),
de būre haŭwe vôv öz ĕn nün kö: ĕn twĕlef söpkere vöer gen döreb brât dĭ wŏle ze verkôpe (Q253p Montzen),
dörep (Q253p Montzen),
də bōērə howə voof ös èn nuung kö twèləf schōp ŏŏpən dərəp braat, dīē wilə zə vərkoopə (Q253p Montzen),
də būr hauə vōf "s eͅn nyn k"eͅn tweͅləf šøͅpkərə vøͅar gən dørp brāt, di wolə zə vərkōpə (Q253p Montzen)
|
De boeren hadden vijf ossen en negen koeien en twaalf schapen voor het dorp gebracht, die wilden ze verkopen. [ZND 04 (1924)] || dorp [ZND m]
III-3-1
|
| 19991 |
dorpel |
dorpel:
dø̜rǝpǝl (Q253p Montzen)
|
Zie kaart. Horizontale laag natuursteen of bakstenen aan de onderkant van een deurkozijn. Zie ook de lemmata 'Strekkenlaag', 'Staande rollaag', 'Liggende rollaag' en 'Hardsteen'. Met de term 'stofdorpel' wordt doorgaans een extra dorpelstuk aangeduid, dat soms op de onderdorpel van een binnendeurkozijn wordt aangebracht. Zie ook het lemma 'Stofdorpel'. [N 32, 12d; A 43,18; L 5, 72; L 12, 12; L B1, 152; A 45, 31; R 3-46; monogr.; Vld]
II-9
|
| 33105 |
dorsen |
dorsen:
dręi̯.šǝ (Q253p Montzen)
|
De algemene benaming van de handeling van het slaan met de dorsvlegel. Zie ook de lemma''s ''dorsen met de vlegel'' (6.1.2) en ''dorsen met de dorsmachine'' (6.2.1). Het traditionele gereedschap om te dorsen is de dorsvlegel; het bestaat uit twee grote houten delen: de vlegelstok die de dorser in de hand houdt en het slaghout of de vlegelklap, waarmee de graankorrels uit de aren geslagen worden. Gewoonlijk dorst men met vier man. Dit is het minst vermoeiend omdat men dan het gemakkelijkst het juiste ritme bewaren kan en een goed ritme maakt het dorsen minder vermoeiend. Men kan echter ook alleen, of met tweeēn of drieēn dorsen, echter nooit met meer dan vier man. Het dorsen met de vlegel is helemaal verdwenen; het was te lastig en het ging niet snel genoeg. Dorsen was één van de eerste gemechaniseerde handelingen van het landbouwbedrijf. De oudste dorsmachine is de rosmolen, waarbij het paard, dat moest rondgaan aan een balk die om een as draaide, de drijfkracht leverde. Later werd de machine door een motor aangedreven, eerst door een stoommachine, dan door benzine- en dieselmotoren. Men onderscheidt bij deze generatie dorsmachines de kopdorser en de breeddorser. Daarna komt de zelfbinder in zwang, die het stro bindt en nog later de combine die tegelijk maait, dorst en bindt. De lemma''s die betrekking hebben op de ruimten in de boerderij waar gedorst werd (de dorsvloer) en waar het koren en het graan werd opgeslagen (de tasruimte en de graanzolder) worden opgenomen in aflevering I.6 Bedrijfsruimten van de boerderij.' [N 14, 1a; JG 1a, 1b; RND 138; A 3, 20; A 4, 27a; A 37, 12; L 1, a-m; L 4, 20; L 19A, 16; L 20, 27a; L 48, 34.2; Lu 2, 34.2; R 3, 63; S 7; Wi 27; NE 2 II, 4 en 3 II, 7; monogr.]
I-4
|