| 29084 |
een bochel inwerken |
een pokkel in een rug maken:
ǝnǝ pukǝl en ǝnǝ rǫk mākǝ (Q253p Montzen)
|
Een bochel in een jas werken door middel van het knippen van het patroon of door strijken of persen. [N 59, 89]
II-7
|
| 30892 |
een borstel aanzetten |
de borstel opzetten:
dǝr bø̜ǝštǝl opzetǝ (Q253p Montzen)
|
Het aan de pekdraad bevestigen van een varkensborstel. Men splijt daarbij het varkenshaar gedeeltelijk en draait de twee spliteindjes kruislings om het spitse uiteinde van de pekdraad en zet de borsteleindjes vast in een gaatje in de pekdraad. [N 60, 198b]
II-10
|
| 20941 |
een boterham smeren |
een boterham smeren:
ən botəram šmī̞rə (Q253p Montzen),
een taart smeren:
oud
ən tā̞t šmī̞rə (Q253p Montzen)
|
smeren [RND]
III-2-3
|
| 24014 |
een communie-examen afnemen |
examen afnemen voor aangenomen te worden:
ən ɛkzāmə vør āgənaomə tə wɛədə āfnɛɛmə (Q253p Montzen)
|
Een godsdienstexamen afnemen vóór de eerste H. Communie, "uitzetten"[oeszetse]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 29088 |
een draad om het knoopsgat naaien |
overwerpen:
øvǝrwɛrǝpǝ (Q253p Montzen)
|
Een draad om het knoopsgat naaien tegen het uitrafelen. [N 59, 139]
II-7
|
| 34532 |
een ei |
ei:
ā.i̯ (Q253p Montzen),
āi̯ (Q253p Montzen),
ęi̯ (Q253p Montzen),
ẽ̜.i̯ (Q253p Montzen)
|
[L 1a-m; L 3, 8; L 5, 79; L 26, 13b; L 30, 18b; L 35, 7; JG 1b; RND 123; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 23950 |
een gelofte doen |
verspreken:
gɛt vərsjprɛəkə (Q253p Montzen)
|
Een gelofte doen, afleggen bijv. om op bedevaart te gaan [gelaove, jelobe]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 31022 |
een groef snijden |
voor snijden:
vǭr šniǝ (Q253p Montzen)
|
Een groef in het loopvlak van de zool maken. [N 60, 106c]
II-10
|
| 19855 |
een huis huren |
huren:
h‧y(3)̄rə (Q253p Montzen),
mieten (d.):
mī.i̯ə (Q253p Montzen),
mīnə (Q253p Montzen)
|
huren [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|
| 23755 |
een kruisje geven |
zegenen:
ə kēŋk zɛ̄nə (Q253p Montzen)
|
Een kind voor het slapen gaan met de duim een kruisje geven op het voorhoofd. [N 96B (1989)]
III-3-3
|