| 17981 |
een ziekte onder de leden hebben |
krankelijk zijn:
krɛŋkələx ziə (Q253p Montzen)
|
Een ziekte onder de leden hebben (op het lijf, in geen goed vel steken). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 28606 |
een zwerm opvangen |
vangen:
vaŋǝ (Q253p Montzen)
|
Het opvangen van een zwerm in een schepkorf. Wanneer een zwerm zich vastgezet heeft aan een tak of iets dergelijks, dan brengt de imker een kleine schepkorf onder de tros. Met een flinke ruk aan de tak valt de zwerm in de korf. Wanneer de bijen in de korf zitten, wordt deze langzaam omgedraaid, omdat de bijen zich aan de strowand of aan elkaar moeten kunnen vastklemmen. Soms moet men een tweede of derde ruk aan de tak geven. Hoe langer een zwerm hangt, hoe vaster hij zit. Een imker moet dus met scheppen niet al te lang wachten. De objecten zwerm, bij e.a. zijn in dit lemma niet gedocumenteerd. [N 63, 84a; JG 1a+1b; JG 2b-5, 4; Ge 37, 105; monogr.]
II-6
|
| 34542 |
eend |
eend:
ęnt (Q253p Montzen)
|
[JG 1a, 1b, 1c, 2c; S 18; S 49; L 1a-m; NE II, 55; Vld.; L A1, 48; monogr.]
I-12
|
| 18851 |
eenvoudig |
eenvoudig:
êvèldex (Q253p Montzen),
einfach (du.):
èfe (Q253p Montzen),
êfax (Q253p Montzen)
|
eenvoudig [ZND m]
III-1-4
|
| 23709 |
eer aan de vader |
eer zij de vader:
Duitse vorm!
Ehre sei dem Vater (Q253p Montzen)
|
Het "Eer aan de Vader..."of "Glorie zij de Vader...". [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23654 |
eerherstellende communie |
reparationskommunion (<du.):
də reparasiuənskomyniuən (Q253p Montzen)
|
Een eerherstellende communie op de 1e vrijdag van de maand. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17585 |
eerste baardharen |
duivelshaar:
dy(3)̄vəlshōr (Q253p Montzen)
|
Eerste baardharen (duivelshaar, melkbaard, vleughaar, dons). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 24010 |
eerste communie |
kleine kommunion (du.):
də kleŋ komünium (Q253p Montzen)
|
De eerste H. Communie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24043 |
eerste mis van de neomist |
primiz (du.):
də primits (Q253p Montzen)
|
De eerste H. Mis van de Neomist in de parochie van herkomst [priemiets, ieësjte maes]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 28510 |
eerste nazwerm |
nazwerm:
nǭzwɛ̄rǝm (Q253p Montzen)
|
De eerste nazwerm of met de voorzwerm meegerekend de tweede zwerm. Ze is kleiner dan de voorzwerm. Acht of tien dagen nadat de voorzwerm is weggevlogen, vliegt de tutende, nieuw uitgelopen en nog onbevruchte moer of koningin met een deel van het bijenvolk weg. In deze eerste nazwerm kunnen koninginnen zitten die allemaal nog onbevrucht zijn. Zij vormen ofwel nieuwe afsplitsingen ofwel zij bevechten elkaar op leven en dood, totdat er nog één koningin overblijft. Een volk kan slechts één koningin gebruiken. [N 63, 29c; N 63, 37b; N 63, 37e; JG 1a+1b; JG 2b-5; A 9, 6; monogr.]
II-6
|