e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
eerste pas eerste pas: øštǝ pās (Montzen) De eerste, ruwe pas waarvoor het colbert geheel in elkaar moet worden geregen zonder voering. Volgens de informant van K 361 is er maar één pas. [N 59, 76a] II-7
eerste zondag van de vasten quadragesima (lat.): kwadragēzima (Montzen) De eerste zondag van de vasten (Fakkelzondag, walmenzondag). [N 96C (1989)] III-3-3
eerstvolgend, ernaast daarneven: dernève (Montzen) erneven [ZND m] III-4-4
eeuwig eeuwig: ewəX (Montzen) Eeuwig [ieëweg, èwwig]. [N 96D (1989)] III-3-3
effenen de brandzool op maat snijden: dǝr brantzǭl op mǭt šniǝ (Montzen) Het bijsnijden van de binnenzool naar het model van de leest. "Uit het daarvoor bestemde stuk leer wordt eerst een binnenzool gesneden, op de leest vastgespijkerd met kleine spijkers en daarna naar het model van de leest bijgesneden." (Directie, pag. 300). [N 60, 79] II-10
ei zonder schaal liezenei: lisǝē̜ (Montzen), lizǝai̯ (Montzen), lizǝęi̯ (Montzen) Ei dat alleen door een vlies is omgeven en dat geen schaal heeft. [N 19, 54a; N 7, 11; JG 1b, 1c, 2c; L 5, 80; Vld.; L B2, 366; monogr.] I-12
eiertikken kippen: kepə (Montzen) Het gebruik om met hardgekookte eieren tegen elkaar te tikken [eiere tietsje, kuppe]. [N 96C (1989)] III-3-2
eik eik: e:k (Montzen), ē.k (Montzen), ê.k (Montzen), -  ê.k (Montzen) eik [RND], [ZND 20 (1936)] || eikenboom [ZND 34 (1940)] III-4-3
eikel eiker: ēaker (Montzen), iəkərə (Montzen), -  e.əkərə (Montzen) eikel [ZND 34 (1940)] || eikels [RND] || eikels zoeken [ZND 20 (1936)] III-4-3
eitjes eier: (enk)  ɛ̄j (Montzen) De eitjes die de koningin legt. Een ei is maximaal twee millimeter. Zowel de bevruchte als de onbevruchte eieren worden door één individu, de koningin of moer, gelegd. De koningin gaat van cel tot cel bij het leggen. Ze stelt een vluchtig onderzoek in met haar sprieten, kromt vervolgens het achterlijf en deponeert op de bodem van elke cel een eitje. [N 63, 21a] II-6