| 29027 |
eerste pas |
eerste pas:
øštǝ pās (Q253p Montzen)
|
De eerste, ruwe pas waarvoor het colbert geheel in elkaar moet worden geregen zonder voering. Volgens de informant van K 361 is er maar één pas. [N 59, 76a]
II-7
|
| 23782 |
eerste zondag van de vasten |
quadragesima (lat.):
kwadragēzima (Q253p Montzen)
|
De eerste zondag van de vasten (Fakkelzondag, walmenzondag). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 24972 |
eerstvolgend, ernaast |
daarneven:
dernève (Q253p Montzen)
|
erneven [ZND m]
III-4-4
|
| 23912 |
eeuwig |
eeuwig:
ewəX (Q253p Montzen)
|
Eeuwig [ieëweg, èwwig]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 30989 |
effenen |
de brandzool op maat snijden:
dǝr brantzǭl op mǭt šniǝ (Q253p Montzen)
|
Het bijsnijden van de binnenzool naar het model van de leest. "Uit het daarvoor bestemde stuk leer wordt eerst een binnenzool gesneden, op de leest vastgespijkerd met kleine spijkers en daarna naar het model van de leest bijgesneden." (Directie, pag. 300). [N 60, 79]
II-10
|
| 34536 |
ei zonder schaal |
liezenei:
lisǝē̜ (Q253p Montzen),
lizǝai̯ (Q253p Montzen),
lizǝęi̯ (Q253p Montzen)
|
Ei dat alleen door een vlies is omgeven en dat geen schaal heeft. [N 19, 54a; N 7, 11; JG 1b, 1c, 2c; L 5, 80; Vld.; L B2, 366; monogr.]
I-12
|
| 22738 |
eiertikken |
kippen:
kepə (Q253p Montzen)
|
Het gebruik om met hardgekookte eieren tegen elkaar te tikken [eiere tietsje, kuppe]. [N 96C (1989)]
III-3-2
|
| 24478 |
eik |
eik:
e:k (Q253p Montzen),
ē.k (Q253p Montzen),
ê.k (Q253p Montzen),
-
ê.k (Q253p Montzen)
|
eik [RND], [ZND 20 (1936)] || eikenboom [ZND 34 (1940)]
III-4-3
|
| 24479 |
eikel |
eiker:
ēaker (Q253p Montzen),
iəkərə (Q253p Montzen),
-
e.əkərə (Q253p Montzen)
|
eikel [ZND 34 (1940)] || eikels [RND] || eikels zoeken [ZND 20 (1936)]
III-4-3
|
| 28471 |
eitjes |
eier:
(enk)
ɛ̄j (Q253p Montzen)
|
De eitjes die de koningin legt. Een ei is maximaal twee millimeter. Zowel de bevruchte als de onbevruchte eieren worden door één individu, de koningin of moer, gelegd. De koningin gaat van cel tot cel bij het leggen. Ze stelt een vluchtig onderzoek in met haar sprieten, kromt vervolgens het achterlijf en deponeert op de bodem van elke cel een eitje. [N 63, 21a]
II-6
|