| 22335 |
alles kwijt |
op:
[of noep?]
ech ben uoep (Q253p Montzen),
poei:
puj (Q253p Montzen)
|
Hij is alles kwijt (bij het spel alles verliezen). [ZND 01u (1924)] || Kwijt (alles - bij het spel). [ZND m]
III-3-2
|
| 24002 |
als getuige ten doop komen |
als getuige naar de doop komen:
als gətüX nŏ də dōp kaomə (Q253p Montzen)
|
Als getuige ten doop komen [an doof kómme]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23254 |
altaar |
altaar (<lat.):
der ɛlter (Q253p Montzen)
|
Een altaar [altaor, altooër, alter, outaar, outer?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23644 |
altaarbel |
schel:
də schɛl (Q253p Montzen)
|
De 3 of 4 belletjes omvattende bel/schel, die door de misdinaar bediend wordt [schel, sjel?] . [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23432 |
altaarretabel |
triptiek (<fr.):
der triptik (Q253p Montzen)
|
Een altaarretabel, -triptiek, -drieluik. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23753 |
alziend oog |
godsoog:
ət gotsow (Q253p Montzen)
|
Een ingelijste plaat waarop een groot oog in een driehoek is afgebeeld, met daarbij de tekst: God ziet mij. Hier vloekt men niet. (Godsoog, Alziend Oog, Christusoog?). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30810 |
ambacht van schoenmaker |
het schoesteren:
ǝt šustǝrǝ (Q253p Montzen)
|
[N 60, 221a]
II-10
|
| 23441 |
ampullen |
pullen (<lat.):
de pølə (Q253p Montzen)
|
Het water- en het wijnkannetje die in de mis gebruikt worden, ampullen [pölle?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20656 |
andijvie |
andijve:
andief (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
[ZND 01 (1922)] [ZND 32 (1939)]
I-7
|
| 28580 |
angel |
angel:
aŋǝl (Q253p Montzen)
|
Het verdedigingsmiddel van de bij dat zich aan het achterlijf bevindt. Het is een scherp, hol spiesje, van weerhaakjes voorzien en verbonden met een gifblaasje. Hiermee steken moer en werkbij. De dar mist dit wapen. [N 63, 73a; L 32, 26; JG 1a+1b; monogr.]
II-6
|