| 24084 |
franciscaan |
franciscaner:
ənə fransiskānər (Q253p Montzen)
|
Een Franciscaan of Minderbroeder [bruine pater, de Broune, Minnebroor, broene paater]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 18784 |
franje |
franjel:
franjel (Q253p Montzen)
|
franje [ZND 01 (1922)]
III-1-3
|
| 24315 |
fret |
fret:
fret (Q253p Montzen)
|
fret: Hoe noemt u in uw dialect het marterachtige roofdier waarmee men jaagt op konijnen (het is de tamme albinovorm van de bunzing)? [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 25891 |
fruit koken |
vruchten koken:
vrøxtǝ kǫwxǝ (Q253p Montzen)
|
Het koken van het soms fijngemaakte fruit. [N 57, 11]
II-2
|
| 33529 |
fruit, ooft |
fruit:
vrøͅə.t (Q253p Montzen),
vruchten:
vröch (Q253p Montzen)
|
[ZND 05 (1924)] [ZND m]
I-7
|
| 28925 |
gaatjestang |
lokertang:
lǫkǝrtaŋ (Q253p Montzen)
|
Een tang waarmee men rijggaten maakt. Zie afb. 27. [N 60, 46b; N 60, 46c]
II-10
|
| 30894 |
galgeknoopgaatje |
oogje:
økǝ (Q253p Montzen)
|
Het gat dat men prikt bij het rispeleind in de pekdraad om daarin de twee uiteindjes van het varkenshaar vast te zetten. [N 60, 198c]
II-10
|
| 23265 |
galmgaten |
schallokken:
de sjālòker (Q253p Montzen)
|
De open vensters in de klokketoren, waardoor het geluid van de klok(ken) naar buiten galmt [schalvensters, almsgatter, galmgaten?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 18517 |
gamasche |
gamasche:
Een lederen been, over de bottine gedragen, dat gaat van de wreef tot juist onder de knie. Die slobkous bestaat uit één stuk nogal taai leer, onderaan over een zevental centimeter en aan de rechtstaande randen over de gehele hoogte en breedte van een drietal centimeter gevoed met dunner en zachter leer. De bovenrand is proper omgeslagen naar binnen en genaaid. Zij wordt, te beginnen bij de voorkant, rondom langs de buitenzijde van het been gedraaid om terug aan de voorkant drie tot vier centimeter te komen overlappen. Onderaan in de voering is een plat metalen kokertje ingebouwd met een smalle opening van ongeveer 12 mm. lang in het buitenleer. In het kokertje schuift men de punt van een metalen veer die een twintigtal millimeter uit de voering van de overlappende rand uitsteekt. Bovenaan is op de buitenkant van de slobkous een riempje bevestigd dat van de binnenzijde naar de buitenzijde door een opening in de overlapping wordt gestoken en teruggebracht wordt naar een gesp (gaspel) die opgeniet is juist voorbij het begin van het riempje.
kamaš (Q253p Montzen)
|
Kent u het woord "jagerswag", "jagersget"? Wat betekent het precies? Hoe ziet dit schoeisel er uit? Hoe spreekt u het uit? [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 19375 |
gang |
gang:
ga.ŋk (Q253p Montzen)
|
gang [ZND 01 (1922)]
III-2-1
|