| 33705 |
gegraven waterloop |
graaf:
grōf (Q253p Montzen)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 20692 |
gehakt |
gekruis:
gekrös (Q253p Montzen)
|
gehakt vlees [ZND 35 (1941)]
III-2-3
|
| 34425 |
geheel afgeschoren wolvacht |
schaapsvel:
šǫpsfɛ.l (Q253p Montzen)
|
De gehele vacht wol van het schaap, wanneer dit geschoren wordt. [N 38, 19; L 41, 37; monogr.]
I-12
|
| 23728 |
geheimen van de rozenkrans |
mysteries (<lat.):
də mistɛ̄rə (Q253p Montzen)
|
De geheimen van de Rozenkrans bestaande uit de blijde geheimen, de droevige geheimen en de glorierijke of glorievolle geheimen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 27539 |
geit |
geit:
gē.t (Q253p Montzen),
gēt (Q253p Montzen)
|
Geit in het algemeen. Ten aanzien van germ merken enkele informanten (L 292 (Heythuysen), Q 99 (Meerssen), 111* (Ransdaal)) op dat hiermee een vrouwelijke geit wordt bedoeld. Zie afbeelding 7. [N 77, 74; L 14, 32; A 9, 20; JG 1a, 1b; Wi 7; NE I, 16; AGV, m3; Gwn 5, 13; Vld.; monogr.; S, Q 105 add.; S 10, add.]
I-12
|
| 23537 |
geknield zitten |
knien:
knejə (Q253p Montzen),
op een knie zitten:
op ən knē zetə (Q253p Montzen)
|
(onder de consecratie) knielen, geknield zitten, op de knieën zitten [óp en kneije zitse?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21274 |
geld |
geld:
gè:lt (Q253p Montzen),
gèlt (Q253p Montzen),
gê.lt (Q253p Montzen),
gɛ.lt (Q253p Montzen),
stuiver:
stü:ver (Q253p Montzen)
|
geld [RND], [ZND 14 (1926)], [ZND m], [ZND m]
III-3-1
|
| 33264 |
gele lupine |
lupinen:
ly`pinǝ (Q253p Montzen)
|
Lupinus luteus L. Een 30 tot 60 cm hoge plant met een uit gele, lipvormige bloempjes bestaande bloempluim, die bloeit van juni tot september, boonvormige vruchtjes draagt en vooral op zandgronden als bemestingsgewas wordt geteeld. [N Q, 4a; N 11A, 29a en 29b; JG 1a, 1b; A 55, 3b; NE 1, 18; R 3, 30; monogr.]
I-5
|
| 23501 |
gelezen mis |
leesmis:
lɛ̄smēs (Q253p Montzen)
|
Een gelezen, stille mis [lèèsmis, sjtil mès?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25078 |
gelijken (op) |
gelijken:
glīkə (Q253p Montzen),
glî.kə (Q253p Montzen)
|
gelijken [ZND 25 (1941)], [ZND m]
III-4-4
|