| 17589 |
gezicht (spotnamen) |
muil:
mul (Q253p Montzen),
snuits:
lang schnuïtz (Q253p Montzen),
lang sjnuuts (Q253p Montzen),
laø schnüts (Q253p Montzen),
laŋ schnüts (Q253p Montzen),
trut:
tr"t (Q253p Montzen)
|
muil [ZND m] || Snuit. Een lange snuit. [ZND 07 (1924)] || Spotbenamingen voor het gezicht [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 17970 |
gezond |
gezond zijn:
gəzōnt ziə (Q253p Montzen)
|
Gezond (zijn): niet ziek (gezond, goed, uver, gaaf, krek). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 23278 |
gezongen mis |
zingmis:
zeŋmēs (Q253p Montzen)
|
Een mis met liturgische gezangen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 28670 |
gezuiverde was |
reine was:
reŋǝ wās (Q253p Montzen)
|
De was, ontdaan van afval en onzuiverheden. Er zijn verschillende manieren tot zuivering van de was. De eenvoudigste is om de ruwe raat met schraapsel en ander afval in een zak van kaasdoek te knopen en met een steen bezwaard in een grote pan op het vuur te zetten. De was komt door het doek heen boven drijven (De Roever, pag. 283). Door vaker de was op te smelten in schoon water krijgt men een helder en zuiver produkt. Om kleine hoeveelheden raat te smelten kan men ook gebruik maken van een zonnewassmelter of een waskanon. Grote hoeveelheden was worden verwerkt in fabrieken die beschikken over grote waspersen, stoomwassmelters of wasreinigers. Zij bereiken het grootste rendement. [N 63, 121c; Ge 37, 147; monogr.]
II-6
|
| 32865 |
gezwad, regel gemaaid gras |
gemad:
gǝmāt (Q253p Montzen),
gemade/gemaai:
(mv)
gǝmār (Q253p Montzen)
|
De in dit lemma opgenomen woorden zijn van toepassing op de regel afgemaaid gras zoals een maaier die al voortgaande aan zijn linkerzijde vormt. Zie de toelichting bij het voorgaande lemma. = Bij de plaatscode duidt op gelijkheid van de benamingen voor zwad en gezwad in deze plaats; zie ook de kaart. [N 14, 93; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 1b; A 4, 28 add.; A 23, 16 add.; L 8, 137; L 20, 28 add.; S 47; Gwn 7, 9; Lu 1, 16 II add.; monogr.]
I-3
|
| 18038 |
gezwel |
gezwel:
Opm.: met ettervorming = [zweer].
gəzwɛ̄l (Q253p Montzen)
|
Gezwel (knobbel, knop, zweer). [N 109 (2001)]
III-1-2
|
| 32611 |
gier oproeren |
roeren:
r˙ø̄rǝ (Q253p Montzen)
|
Bij het oppompen van de gier moest men geregeld de inhoud van de gierkelder oproeren, om te voorkomen dat de dikkere giermaterie, het gierbezinksel, onder in de put zou blijven en door de pomp niet meer opgezogen zou kunnen worden. [JG 1a + 1b; N 11A, 59b; S 30; monogr.]
I-1
|
| 32604 |
gier, mestwater, beer |
mestwater:
[mest]wā.tǝr (Q253p Montzen),
zeik:
zē̜ ̝.k (Q253p Montzen),
zeikwater:
zēkwātǝr (Q253p Montzen)
|
Onder gier wordt verstaan de in een put of kelder verzamelde vloeibare mest van het vee. Mestwater is het vocht, dat mede als gevolg van regenval uit de in de mestvaalt gelegen mest sijpelt en in een bij de mesthoop gelegen poel of kuil bijeenvloeit; dit vocht, waarmee men soms een uitgedroogde mesthoop bevochtigt, wordt ook wel als vloeibare meststof gebruikt. Met beer wordt hier bedoeld de uit menselijke fecaliën bestaande materie, die "dikker" is dan gier en vaak verzameld wordt in een put waarop alleen het privaat is aangesloten; van tijd tot tijd (o.a. wanneer de put vol is) wordt deze vloeistof naar de moestuin, de boomgaard, de huisweide e.d. vervoerd, om aldaar te worden verspreid. De genoemde begrippen zijn hier in één lemma behandeld, omdat de (overigens talrijke) gegevens zich niet over drie duidelijk verschillende lemmata lieten verdelen. Dat is vooral hieraan te wijten, dat (1) het bedoelde onderscheid in de betrokken enqu√™tevragen meestal niet werd gemaakt; (2) de door oudere enqu√™tes verkregen gegevens het antwoord zijn op te korte of onduidelijk toegelichte vragen als "beer (drek)", "aalt (beer)", "beer (mestwater)", "mestwater (aal, beer, zeik)". Woorden die als benaming voor het begrip mestwater of het begrip beer lijken te kunnen worden opgevat, blijken in samenstellingen als gierkar, -ton, -pomp, -lepel e.d. vaak (ook) op vloeibare mest van het vee of op gier in het algemeen toepasselijk. Daarom zijn in dit lemma ook de gier-gegevens uit het materiaal van de volgende lemmata verwerkt. Dat de term voor de vergaarplaats van de gier is overgegaan op c.q. ook bruikbaar is voor het mestvocht zelf, blijkt uit woorden als citerne en beerput. Dit geldt in beginsel ook voor aalpoel, mestpoel, zeikpoel, poel, mestplas, zeikplas en mestkuil, waarmee primair de bij de mesthoop gelegen diepte of kuil vol mestwater bedoeld wordt maar die ook toepasselijk zijn op het zich daarin bevindende of daaruit afkomstige vocht als zodanig. In samenstellingen kan het begrip gier zelfs door het woord water worden uitgedrukt. Voor die gevallen zie men de lemmata gierkar, - ton, -kraan e.d. Het woord zeik is meestal ook de benaming voor dierlijke urine. [Wi 14; S 1; L 1a-m; L 2, 12; L B2, 269; L 20, 24; A 4, 24; JG 1a + 1b + 1c; N 11, 21 + 27 add.; N 11A, 41 + 42d + 43b + 44b; monogr.]
I-1
|
| 21323 |
gierig |
geizig (du.):
Van Dale (ND): gierig (inhalig, vrekkig), geizig.
gitseX (Q253p Montzen),
giepig:
[sic, RK]
gipeX (Q253p Montzen),
gierig:
gierig (Q253p Montzen),
nauw:
naü (Q253p Montzen),
neu (Q253p Montzen)
|
gierig [ZND 01 (1922)], [ZND 01u (1924)]
III-3-1
|
| 21325 |
gierigaard |
geizhals (du.):
vgl. WNT sub gier, een uiterst hebzuchtig, inhalig of vrekkig mensch, een geldwolf; meestal met de bijgedachte aan den roofvogel. Verg. Brem. Wtb. 512, waar gier ook in den zin van geizhals wordt opgegeven.
gitshîs (Q253p Montzen)
|
gierigaard [ZND 35 (1941)]
III-3-1
|