| 17626 |
glazuur |
email:
emaj (Q253p Montzen)
|
Glazuur: de glinsterende laag waarmee de tanden bedekt zijn (glazuur, email, wit). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 30923 |
glijbies |
champignon:
šampǝljoŋ (Q253p Montzen)
|
Een reep leer die aan de binnenkant van de schoen van de hak af naar boven loopt, evenwijdig aan de achillespees, en die dient om de hiel gemakkelijk in de schoen te laten schuiven. "De achternaad moet van binnen steeds met een zoogenaamde glijbies voorzien (gedekt) worden, die aan weerszijden van den naad gestikt en aan de kanten ook met de hand aangezet kan worden. Boven reikt deze glijbies tot of onder de stijve kap, onder naait men hem aan weerszijden aan de contrefortvoering vast." (Knöfel I, pag. 177). Zie afb. 22. [N 60, 18c]
II-10
|
| 18440 |
glijbies [wld ii.10, p. 26] |
champignon (fr.):
šampəljoŋ (Q253p Montzen)
|
Een reep leer die op dezelfde plaats loopt, maar dan aan de binnenkant van de schoen en die dient om de hiel gemakkelijk in de schoen te laten schuiven? (geleibies of glijbies?) Zie tek. 18c. [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 17853 |
glijden |
flitsen:
flitse (Q253p Montzen),
flitṣe (Q253p Montzen),
flutse (Q253p Montzen),
glitschen (du.):
glitṣe (Q253p Montzen),
glitsen:
glitse (Q253p Montzen),
roetsjen:
rötse (Q253p Montzen),
rutschen (du.):
rötṣe (Q253p Montzen),
Fr. glisser
rötse (Q253p Montzen),
slepen:
schlīpe (Q253p Montzen),
schlîpe (Q253p Montzen),
slibberen:
slibbere (Q253p Montzen),
ṣlibere (Q253p Montzen)
|
glijden [ZND m] || hoe noemt men: op het ijs glijden (zonder schaatsen) [ZND 14 (1926)] || schuiven [ZND m] || slieren (op het ijs glijden zonder schaatsen) [ZND 06 (1924)]
III-1-2, III-3-2
|
| 24316 |
glimworm |
johanneswormpje:
ook ZND 01u, 072; ZND BrB2, 299
johanneswörmke (Q253p Montzen)
|
glimworm [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 23607 |
gloria |
gloria (lat.):
gloria (Q253p Montzen)
|
De lofzang "Gloria in excelsis..."[jloria?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23922 |
god de vader |
god de vader:
gòt dər vadər (Q253p Montzen)
|
God de Vader. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23426 |
godslamp |
godslamp:
de gòtslāmp (Q253p Montzen)
|
De godslamp, de altijd brandende olielamp vóór het tabernakel van het hoofdaltaar of sacramentsaltaar [gods-, gôds-, gaods-, godeslamp]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23961 |
godslasteren |
blasfemeren (<lat.):
blasfemēre (Q253p Montzen)
|
Godslasteren, blasfemeren. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23960 |
godslastering |
blasfeem (<lat.):
ənə blasfēm (Q253p Montzen)
|
Een godslastering, blasfemie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|