e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
glazuur email: emaj (Montzen) Glazuur: de glinsterende laag waarmee de tanden bedekt zijn (glazuur, email, wit). [N 106 (2001)] III-1-1
glijbies champignon: šampǝljoŋ (Montzen) Een reep leer die aan de binnenkant van de schoen van de hak af naar boven loopt, evenwijdig aan de achillespees, en die dient om de hiel gemakkelijk in de schoen te laten schuiven. "De achternaad moet van binnen steeds met een zoogenaamde glijbies voorzien (gedekt) worden, die aan weerszijden van den naad gestikt en aan de kanten ook met de hand aangezet kan worden. Boven reikt deze glijbies tot of onder de stijve kap, onder naait men hem aan weerszijden aan de contrefortvoering vast." (Kn√∂fel I, pag. 177). Zie afb. 22. [N 60, 18c] II-10
glijbies [wld ii.10, p. 26] champignon (fr.): šampəljoŋ (Montzen) Een reep leer die op dezelfde plaats loopt, maar dan aan de binnenkant van de schoen en die dient om de hiel gemakkelijk in de schoen te laten schuiven? (geleibies of glijbies?) Zie tek. 18c. [N 60 (1973)] III-1-3
glijden flitsen: flitse (Montzen), flitṣe (Montzen), flutse (Montzen), glitschen (du.): glitṣe (Montzen), glitsen: glitse (Montzen), roetsjen: rötse (Montzen), rutschen (du.): rötṣe (Montzen), Fr. glisser  rötse (Montzen), slepen: schlīpe (Montzen), schlîpe (Montzen), slibberen: slibbere (Montzen), ṣlibere (Montzen) glijden [ZND m] || hoe noemt men: op het ijs glijden (zonder schaatsen) [ZND 14 (1926)] || schuiven [ZND m] || slieren (op het ijs glijden zonder schaatsen) [ZND 06 (1924)] III-1-2, III-3-2
glimworm johanneswormpje: ook ZND 01u, 072; ZND BrB2, 299  johanneswörmke (Montzen) glimworm [ZND 01 (1922)] III-4-2
gloria gloria (lat.): gloria (Montzen) De lofzang "Gloria in excelsis..."[jloria?]. [N 96B (1989)] III-3-3
god de vader god de vader: gòt dər vadər (Montzen) God de Vader. [N 96D (1989)] III-3-3
godslamp godslamp: de gòtslāmp (Montzen) De godslamp, de altijd brandende olielamp vóór het tabernakel van het hoofdaltaar of sacramentsaltaar [gods-, gôds-, gaods-, godeslamp]. [N 96A (1989)] III-3-3
godslasteren blasfemeren (<lat.): blasfemēre (Montzen) Godslasteren, blasfemeren. [N 96D (1989)] III-3-3
godslastering blasfeem (<lat.): ənə blasfēm (Montzen) Een godslastering, blasfemie. [N 96D (1989)] III-3-3