| 23796 |
goede vrijdag |
goede vrijdag:
gō vrīdəch (Q253p Montzen),
kaarvrijdag:
[vgl. Du. Karfreitag]
kārvrīdəch (Q253p Montzen)
|
De vrijdag in de week vóór Pasen, Goede vrijdag [Kaarvriediech]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23792 |
goede week |
goede week:
gō wɛək (Q253p Montzen)
|
De week vóór Pasen [gooj week, kaarwèch]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 21326 |
goedkoop |
billig (du.):
bélech (Q253p Montzen),
goedkoop:
gōkôp (Q253p Montzen)
|
Dat is goedkoop [ZND 24 (1937)]
III-3-1
|
| 17903 |
gooien |
bruien:
bryjə (Q253p Montzen)
|
smijten [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 21327 |
graaf |
graaf:
gròf (Q253p Montzen)
|
graaf [ZND m]
III-3-1
|
| 32973 |
graan, koren |
koren:
kōǝn (Q253p Montzen),
kǫǝn (Q253p Montzen),
vrucht:
vrø̜̄ǝ.t (Q253p Montzen),
vruchten:
vrǫxt (Q253p Montzen)
|
Dit lemma bevat de termen die als verzamelnaam voor de verschillende graangewassen bruikbaar zijn. De benaming vruchten is algemeen gebruikelijk voor "veldvruchten, te velde staande graangewassen, graan" (Schuermans); ook de "korrels" worden eronder verstaan. Men gebruikt ook in dezelfde algemene betekenis het woord koren. ''Graan'' en ''koren'' worden vaak ter afwisseling, naast en voor elkander, dus met geheel dezelfde betekenis, gebruikt. Soms echter worden ''koren'' en ''graan'' juist tegenover elkaar gesteld; in dat geval duidt ''graan'' het algemene begrip aan, maar wordt met het ''koren'' een bepaalde soort van graan bedoeld, doorgaans het graan voor het dagelijks brood. In Limburg is dat de rogge. Vergelijk hier nog Lindemans (II, 5) "Koren is in ons taalgebied de naam van het dagelijks broodgraan. Door de eeuwen heen was het koren bij ons de rogge"; zie het lemma ''rogge'' (1.2.4). Vooral op grond van de voorbeeldzin "Ik heb zoveel oogst gezaaid" voor Q 77, zijn de vier opgaven van het type oogst in dit lemma opgenomen. Hel in ''helle vruchten'' betekent "hard". Zie vooral ook de lemma''s ''rogge'' (1.2.4) en ''tarwe'' (1.2.8) voor het semasiologisch overzicht van koren. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enqu√™tes in kaart gebracht.' [graan: JG 1a, 1b, 2c; L 1, a-m; L 32, 41; L 39, 41; S 11; Wi 53; monogr.; koren: L 1, a-m; L 4, 40; R [s], 91; S 19; Wi 51; monogr.; add. uit N 15, 8, 12, 13, 43 en 46; L 48, 34; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 33000 |
graankorrel |
kijt:
kī.t (Q253p Montzen),
kijtje:
k˙itskǝ (Q253p Montzen)
|
Vruchtkorrel van een graangewas. Het fonetisme van het type koren in de betekenis "korrel" verschilt van dat van hetzelfde type koren met de betekenis "graan" in de lemma ''graan, koren'' (1.2.1) en met de betekenis "rogge" in het lemma ''rogge'' (1.2.4). In de laatste twee gevallen zijn er meer aanpassingen in de richting van het Nederlands dan in het onderhavige lemma. Om deze reden, en vanwege het voorkomen van vele dubbelvarianten in één plaats, zijn alle opgaven in dit lemma fonetisch volledig gedocumenteerd, waarbij dezelfde hoofdordening van de varianten is aangehouden als in de twee boven genoemde lemma''s. Ook de opgegeven meervouden zijn hier genoteerd. De varianten van het type korentje zijn eerst naar de verkleinwoorduitgang geordend en daarna naar het vocalisme van het grondwoord koren; de umlautsvormen (en de eventuele ontrondingen daarvan) staan steeds na de klankkleur van het grondwoord.' [N M, 23a, 23b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; L 28, 33; S 19; monogr.]
I-4
|
| 20137 |
graf |
graf:
et gráf (Q253p Montzen),
grâ.f (Q253p Montzen),
znd 1 a-m; znd 24, 25;
graaf (Q253p Montzen)
|
Een graf [graf, graaf, jraaf?}. [N 96A (1989)] || graf [ZND 01 (1922)] || Graf. [ZND 01 (1922)]
III-2-2, III-3-3
|
| 23481 |
grafkruis |
kruis op het graf:
et kruts op e gráf (Q253p Montzen)
|
Een houten of stenen kruis op een graf [grafkruus, graaf-/jraafkruuts?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 23483 |
grafzerk |
denkmal (du.):
et deŋkmāl (Q253p Montzen),
grafsteen:
der grāfsjtēn (Q253p Montzen)
|
Een grafsteen, grafzerk, grafmonument [graf-/graafsteen,-stieën,-sjtein, jraafsjtee, jraafdenkmaal?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|