| 18880 |
grijnzen |
greilachen:
grîlaxe (Q253p Montzen)
|
grijnzen [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 17906 |
grijpen naar |
grijpen:
grî.pə (Q253p Montzen),
snappen:
šna.pə (Q253p Montzen)
|
grijpen [ZND m]
III-1-2
|
| 31024 |
groeflip |
lip:
lep (Q253p Montzen)
|
Het uitpuilende leer bij het maken van de groef, schuin in het leer. "Als men een groef snijdt, schuin in het leer, komt er wat leer naar buiten gepuild. Dat is de lip. Overigens is lip een vrij veel gebruikt woord voor elk dun uitstekende deeltje, al naar gelang de omgeving vanzelf duidelijk." (Liedmeier, pag. 17). [N 60, 108]
II-10
|
| 31023 |
groefmes |
schoestersmes:
šustǝšmɛts (Q253p Montzen)
|
Het mes waarmee men groeven maakt. Volgens de informanten van K 278, L 387 en Q 253 kan dit mes ook een gewoon schoenmakersmes zijn. Liedmeier (pag. 9) heeft het over een speciaal mes met twee uitsteeksels. Deze vorm is handig om een regelmatige en een overal even ver van de rand verwijderde groef te snijden. Zie afb. 46. [N 60, 107]
II-10
|
| 17541 |
groeien |
groter worden:
i.e. zich uitbreiden.
gruətər wɛədə (Q253p Montzen),
profiteren:
i.e. dikker worden.
profətērə (Q253p Montzen),
wassen:
wāsǝ (Q253p Montzen),
i.e. groter worden.
wāsə (Q253p Montzen)
|
De algemene benaming voor het groter worden van het gewas. Het oude Limburgse woord is wassen; zoals de kaart laat zien, komt de term groeien onder invloed van het Nederlands echter al in bijna heel Limburg voor. Aarden betekent eigenlijk "goed groeien, goede opbrengst laten verwachten", evenals (ge)dijen en tieren in het tweede deel van het lemma. De benaming struiken betekent "een struik vormen" in de uitdrukking "het koren is al goed gestruikt" (Q 111). De opgegeven antwoorden voor "dat gewas ''gedijt'' niet" staan achter in het lemma bijeen. [RND 124; L 32, 13; L 44, 45; monogr.; add. uit A 3, 16; L 4, 16; L A2, 374] || Groeien: Groter worden: in grootte toenemen, gezegd van kinderen (groeien, wassen, profiteren). [N 106 (2001)]
I-4, III-1-1
|
| 25026 |
groen (kleur) |
groen:
gry(3)̞̄:n (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
grø̝:n (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
grø͂ͅn (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen)
|
groen [ZND 01 (1922)], [ZND 35 (1941)]
III-4-4
|
| 21328 |
groentevrouw |
gemsevrouw (<du.):
gemösvrouw (Q253p Montzen)
|
groentenvrouw [ZND 01u (1924)]
III-3-1
|
| 21329 |
grof |
grof:
grô.f (Q253p Montzen)
|
grof [ZND m]
III-3-1
|
| 28453 |
grof broed |
drooncel:
drōnsɛl (Q253p Montzen)
|
Cellen bestemd voor darrenbroed. Na het maken van fijn broed gaan de bijen over op het vervaardigen van grof werk of de darrenraat. Het patroon van de darrenraat is gelijk aan dat van de werkbijenraat maar de celafmeting is belangrijk groter dan die bij de werkbijenraat. In deze grotere cel wordt de dar uitgebroed maar voor honingopslag is ze ook zeer geschikt. [N 63, 13c; Ge 37, 59]
II-6
|
| 17547 |
grof gebouwd |
zwaar gebouwd:
zuər gəbowt (Q253p Montzen)
|
Grof gebouwd: groot, zwaar (struis, grof, zwaar). [N 106 (2001)]
III-1-1
|