| 18791 |
haken |
hakelen:
hékele (Q253p Montzen),
haken:
(enk.)
hǭk (Q253p Montzen)
|
De haken die aan het haam zitten en waaraan de ketel kan worden bevestigd. [N 57A, 4.9; N 57, 9 add.] || Haken. [ZND m]
II-2, III-1-3
|
| 30986 |
hakijzertjes |
ijzertjeren:
īzǝrkǝrǝ (Q253p Montzen)
|
De ijzertjes die op de haktippen worden aangebracht ter versteviging. Het woordtype hoefijzers duidt op de gehele hakrand en niet alleen op een tip. [N 60, 170b; N 60, 170a]
II-10
|
| 31035 |
hakken opzetten |
de knuppel aanzetten:
dǝr knøpǝl āzetǝ (Q253p Montzen)
|
Het laag voor laag geleidelijk aan opbouwen van de hak, los van de schoen, en vervolgens het bevestigen van de hak aan de schoen. [N 60, 127]
II-10
|
| 33153 |
haksel |
haksel:
hɛ.ksǝl (Q253p Montzen)
|
Het kortgehakte stro, op de snijbok of in de hakselmachine, werd vroeger, samen met haver, gekookt en aan de beesten gevoerd. Als het iets grover gesneden was werd het ook wel als strooisel in de potstal gebruikt. Zie ook het lemma ''bussel kort stro'' (6.1.29). Zie voor de fonetische documenatie van het woorddeel [stro] het lemma ''stro'' (6.1.24). [JG 1b, 2c; L 1, a-m; L 26, 11; S 12; Wi 51; monogr.]
I-4
|
| 30985 |
haktip |
achterste van de knuppel:
ęǝtǝštǝ van dǝr knøpǝl (Q253p Montzen)
|
Het achterste gedeelte van de hak, waar men soms ijzertjes op zet. [N 60, 170a; N 60, 170b]
II-10
|
| 18497 |
haktip [wld ii.10, p. 37] |
achterste van de knuppel:
Geen bijzondere benaming.
ət ɛətəštə van dər knøpəl (Q253p Montzen)
|
Het achterste gedeelte van de hak waar men wel ijzertjes opzette? (tip?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 17810 |
halen |
zamelen:
zamǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Verzamelen van nectar, stuifmeel en water door de meestal oudere werkbijen. [N 63, 41; Ge 37, 79]
II-6
|
| 18353 |
halfhoge knoopschoen? |
halve schoen:
Afbeelding 210.
hāvə šōn (Q253p Montzen)
|
Hoe noemt u in het algemeen het meestal leren voetbekleedsel met hak dat tot iets hoger dan de enkels kan komen (schoen?) [N 60 (1973)]
III-1-3
|
| 23622 |
halfmis |
halfmis:
hōfmēs (Q253p Montzen)
|
Het moment waarop de mis op de helft is, wat de duur betreft [halfmis, hauvermès?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23342 |
halfvasten(zondag) |
halfvasten:
hōfāstə (Q253p Montzen)
|
De vierde zondag van de vasten [haufvaste, halfvaste, körfkeszoondig]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|