e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Montzen

Overzicht

Gevonden: 3044
BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
haken hakelen: hékele (Montzen), haken: (enk.)  hǭk (Montzen) De haken die aan het haam zitten en waaraan de ketel kan worden bevestigd. [N 57A, 4.9; N 57, 9 add.] || Haken. [ZND m] II-2, III-1-3
hakijzertjes ijzertjeren: īzǝrkǝrǝ (Montzen) De ijzertjes die op de haktippen worden aangebracht ter versteviging. Het woordtype hoefijzers duidt op de gehele hakrand en niet alleen op een tip. [N 60, 170b; N 60, 170a] II-10
hakken opzetten de knuppel aanzetten: dǝr knøpǝl āzetǝ (Montzen) Het laag voor laag geleidelijk aan opbouwen van de hak, los van de schoen, en vervolgens het bevestigen van de hak aan de schoen. [N 60, 127] II-10
haksel haksel: hɛ.ksǝl (Montzen) Het kortgehakte stro, op de snijbok of in de hakselmachine, werd vroeger, samen met haver, gekookt en aan de beesten gevoerd. Als het iets grover gesneden was werd het ook wel als strooisel in de potstal gebruikt. Zie ook het lemma ''bussel kort stro'' (6.1.29). Zie voor de fonetische documenatie van het woorddeel [stro] het lemma ''stro'' (6.1.24). [JG 1b, 2c; L 1, a-m; L 26, 11; S 12; Wi 51; monogr.] I-4
haktip achterste van de knuppel: ęǝtǝštǝ van dǝr knøpǝl (Montzen) Het achterste gedeelte van de hak, waar men soms ijzertjes op zet. [N 60, 170a; N 60, 170b] II-10
haktip [wld ii.10, p. 37] achterste van de knuppel: Geen bijzondere benaming.  ət ɛətəštə van dər knøpəl (Montzen) Het achterste gedeelte van de hak waar men wel ijzertjes opzette? (tip?) [N 60 (1973)] III-1-3
halen zamelen: zamǝlǝ (Montzen) Verzamelen van nectar, stuifmeel en water door de meestal oudere werkbijen. [N 63, 41; Ge 37, 79] II-6
halfhoge knoopschoen? halve schoen: Afbeelding 210.  hāvə šōn (Montzen) Hoe noemt u in het algemeen het meestal leren voetbekleedsel met hak dat tot iets hoger dan de enkels kan komen (schoen?) [N 60 (1973)] III-1-3
halfmis halfmis: hōfmēs (Montzen) Het moment waarop de mis op de helft is, wat de duur betreft [halfmis, hauvermès?]. [N 96B (1989)] III-3-3
halfvasten(zondag) halfvasten: hōfāstə (Montzen) De vierde zondag van de vasten [haufvaste, halfvaste, körfkeszoondig]. [N 96C (1989)] III-3-3