| 25055 |
armvol |
armvol:
ervel (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
ervel (höj) (Q253p Montzen),
ɛremvool (Q253p Montzen, ...
Q253p Montzen),
ɛrvǝl (Q253p Montzen),
ɛrǝmvōl (Q253p Montzen),
gaffel:
gaffel höj (Q253p Montzen)
|
armvol [ZND 01 (1922)], [ZND 01u (1924)] || armvol hooi [ennen erval hoj] [N 07 (1961)] || De hoeveelheid stro of aren die men in de armen kan vasthouden. Zie ook het lemma ''handvol hooi'' (5.1.4) in aflevering I.3. [N 7, 58; L 1, a-m; L 1u, 8; L A1, 88; Wi 51; monogr.]
I-4, III-4-4
|
| 25884 |
as-as |
as:
ās (Q253p Montzen)
|
Het draaipunt van de draaiboom. In L 387 bestond het draaipunt van de draaiboom uit een ijzeren pin die in een steen draaide. [N 57A, 4.3; N 57, 9 add.]
II-2
|
| 25880 |
asgat |
assenlok:
ɛjšǝlǫk (Q253p Montzen)
|
De ruimte beneden in de stookplaats waar de as invalt. [N 57, 8e]
II-2
|
| 23780 |
askruisje |
assekruisje:
ɛ̄jsjəkrYtskə (Q253p Montzen)
|
Het Askruisje [assekrüske, esjekruuts]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 33277 |
asperge |
asperge:
aspɛržǝ (Q253p Montzen),
spergel:
špargǝl (Q253p Montzen)
|
Asparagus officinalis L. Een tot 2 meter hoge plant met naaldvormige takjes en rode bessen, die op zandgronden groeit en om de jonge, ondergrondse spruiten als groente wordt geteeld in aspergebedden. [N Q, 7; monogr.]
I-5
|
| 23603 |
asperges me |
asperges me:
dər aspɛrgɛs mē (Q253p Montzen),
vidi aquam:
dər vidi akwam (Q253p Montzen)
|
Het gezang dat voorafgaand aan de hoogmis gezongen wordt onder de besprenkeling met wijwater: "Asperges me...."of "Vidi aquam...."(in de Paastijd). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 22897 |
aswoensdag |
assegoensdag:
(tm)šəgustəch (Q253p Montzen),
ɛ̄jsjəgostəch (Q253p Montzen)
|
Aswoensdag, de eerste dag van de grote vasten [ésjermitwoch, aesjergoonsdiech, esjelegoonsdich]. [N 96C (1989)] || Aswoensdag. [ZND 19A (1936)]
III-3-3
|
| 23401 |
aureool |
lichtkrans:
der leXtkrāns (Q253p Montzen)
|
De gouden lichtkrans of -kring boven om het hoofd van een heiligenbeeld [aureool, nimbus?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 25073 |
averechts, achterstevoren |
contraire (fr.):
kontrèr (Q253p Montzen),
tegendeel:
eerste e is lang op de tweede e ook nog een accent aigu
tjègendêl (Q253p Montzen)
|
averechts [ZND 05 (1924)]
III-4-4
|
| 23257 |
avondgebed |
avondsgebed:
ət oəvəsgəbɛt (Q253p Montzen)
|
Het avondgebed/avondsgebed met gewetensonderzoek [aovendgebed, aovesgebed, aoëvetsjebed?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|