| 32987 |
halm, stengel van de graanplant |
kijt:
kī.t (Q253p Montzen)
|
De graanhalm is de meestal ronde en gelede stengel van de te velde staande graanplant. Hier het algemene woord, dat veelal ook de benaming voor de gehele graanplant is. Een aantal termen (bv. spier, spit, ...) wordt niet alleen gebruikt voor de stengel van de te velde staande graanplanten, maar ook -en blijkens een niet gering aantal aar-opgaven wellicht nog meer- voor de geoogste en gedorste graanstengels, de strohalm; zie de toelichting bij het volgende lemma ''strohalm'' (1.3.2). Veelal zijn ze ook toepasselijk op de grasspriet (zie het lemma ''grasspriet'' (1.5) in aflevering I.3), enkele zelfs op de graankorrel (zie het lemma ''graankorrel'' (2.6) in deze aflevering). Voor een aantal plaatsen werd het tweelettergrepige ''spieren'' als enkelvoud opgegeven. Zie afbeelding 2, a. [N P, 4b; JG 1a, 1b; L 1, a-m; S 12; Wi 13; monogr.]
I-4
|
| 17627 |
hals |
hals:
hǭs (Q253p Montzen)
|
Het gedeelte van de huid dat de hals bedekt. Zie afb. 1. [N 36, 4; N 60, 3f; N 60, 3g, N 60, 247]
II-10
|
| 18255 |
halsketting |
kette (du.):
goot, en kette van goot (Q253p Montzen)
|
een goud, gouden ketting [ZND 01u (1924)]
III-1-3
|
| 23759 |
halve zondag |
halve zondag:
hōvə zōndəch (Q253p Montzen)
|
Een "halve zondag", een feestdag zonder mis, bijvoorbeeld Koninginnedag (planken zondag). [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 20820 |
ham, hesp |
schink:
verzamelfiche ook mat. van ZND 1, a-m
schénk (Q253p Montzen)
|
hesp [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 23461 |
hamer van de klepklok |
tumphamer:
der tōmphāmer (Q253p Montzen)
|
De hamer van een klepklok [trumphamer?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 17659 |
hand |
hand:
hand (Q253p Montzen),
hānt (Q253p Montzen),
hâ.nt (Q253p Montzen)
|
hand [ZND m] || ik heb een splinter in mijn hand [ZND 07 (1924)]
III-1-1
|
| 17660 |
handen (spotnamen) |
knoken:
knoəkə (Q253p Montzen)
|
Spotbenamingen voor de handen [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 30821 |
handleer |
handleer:
hantlę̄r (Q253p Montzen)
|
Stuk leer in de vorm van een handschoen zonder vingerstukken, gebruikt bij zwaar werk ter bescherming van de hand. [N 60, 220b]
II-10
|
| 28893 |
handnaaimachine |
machine met de hand:
mašin męt dǝ hant (Q253p Montzen),
naaimachine met de hand:
niǝnmašin męt dǝ hant (Q253p Montzen)
|
Naaimachine die men met één hand in beweging brengt. De informant van L 416 merkt op, dat men de machine aandraait door middel van een rad met een knop. De informant van Q 111* spreekt van een machine met zwengel. De informant van Q 88 vermeldt dat men de handnaaimachine niet meer gebruikt. [N 59, 17c]
II-7
|