| 23573 |
het orgel trappen |
het orgel treden:
ət ørəgəl trɛ̄nə (Q253p Montzen)
|
Het orgel treden of trappen, de blaasbalg tredend met lucht vullen en gevuld houden. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 25911 |
het sap indikken |
dikkoken:
dekkǫwxǝ (Q253p Montzen)
|
Het sap door koken dik maken. Daarbij ontstaat waterdamp. [N 57, 24b]
II-2
|
| 25910 |
het sap verhitten |
warmen:
wɛrǝmǝ (Q253p Montzen)
|
Het koken van het sap. In L 379 deed men varkensreuzel in het kokende sap tegen het overkoken. [N 57, 24a]
II-2
|
| 19415 |
het vuur doven |
laten uitgaan:
laote ōētgōēe (Q253p Montzen),
uitdoen:
de sjtaof ōētdōēe (Q253p Montzen)
|
doven, laten uitgaan, gezegd van vuur in de kachel [N 07 (1961)]
III-2-1
|
| 23801 |
het vuur wijden op paaszaterdag |
vuurzegening:
vy(3)̄rzɛ̄noŋ (Q253p Montzen)
|
Het gebruik om op Paaszaterdag het vuur te wijden. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23618 |
het zielboek aflezen |
de dodenlijst aflezen:
də duədəlīs āflɛ̄zə (Q253p Montzen)
|
Het zielenboek aflezen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23619 |
het zielboek voldoen |
op de dodenlijst laten inschrijven:
op ən duədəlīs lōtə ɛ̄schrīve (Q253p Montzen)
|
Het zielenboek voldoen, de hiervoor verschuldigde bijdrage betalen. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20404 |
heten |
heten:
he͂e͂sjə (Q253p Montzen)
|
heeten [ZND 25 (1937)]
III-2-2
|
| 32923 |
heukeling |
kasteel:
kersīl (Q253p Montzen)
|
Het kleinste hoopje halfdroog hooi dat men ''s avonds maakt door het opwerken van de rijen, om ze ''s anderendaags weer uiteen te gooien. De kaarten 40, 42 en 44, respectievelijk "heukeling", "hoop" en "opper" hebben alle drie dezelfde opbouw, die weer in verband staat met de opbouw van de kaarten 39, 41 en 43: "op heukelingen zetten", "op hopen zetten" en "op oppers zetten". Voor deze zes kaarten zijn ook dezelfde symbolen voor gelijke opgaven gebruikt. [N 14, 104 en 103 add.; JG 1a, 1b, 2c; A 16, 3a; A 42, 20a, L 36, 1; L 38, 38a; monogr.]
I-3
|
| 17645 |
heup |
heup:
hōͅ.əp (Q253p Montzen)
|
de heup (zijde van het lichaam) [ZND 26 (1937)]
III-1-1
|