| 30098 |
spouw |
spouw:
spǫw (Q090p Mopertingen)
|
De luchtruimte tussen de beide delen van een spouwmuur. [N 31, 35d; monogr.]
II-9
|
| 30099 |
spouwanker |
spouwhaak:
[spouw]hōk (Q090p Mopertingen
[(meervoud: -hēk)]
)
|
Haak van messing of gegalvaniseerd ijzer die de binnen- en de buitenspouwmuur met elkaar verbindt. In L 210 werd om de zeven steenlagen een spouwanker bevestigd. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '(spouw)-' het lemma 'Spouw'. [N 31, 35e; monogr.]
II-9
|
| 30097 |
spouwmuur |
spouwmuur:
spǫw[muur] (Q090p Mopertingen)
|
Muur die bestaat uit twee evenwijdige, door een smalle luchtruimte van elkaar gescheiden muurdelen. De spouw dient om het inwendige van een huis tegen temperatuursveranderingen en tegen vocht te beschermen. Ter ventilering van de spouw brengt men in de muur op regelmatige afstanden roosters aan. Een spouwmuur kan bestaan uit twee halfsteensmuren of een steensmuur en een halfsteensmuur. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel '-(muur)' het lemma 'Muur'. [N 31, 35a; monogr.]
II-9
|
| 17818 |
springen |
springen:
sprengen (Q090p Mopertingen)
|
springen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 34055 |
springstier |
springduur:
sprɛŋdīr (Q090p Mopertingen)
|
[JG 1a, 1b; add. uit N 3A, 15]
I-11
|
| 21545 |
sprookje |
vertelseltje:
vərtēͅlsəlkə (Q090p Mopertingen)
|
hoe heet een kindervertelsel ? kent ge nog een woord sage ? (uitspraak) [ZND 42 (1943)]
III-3-1
|
| 17819 |
staan |
staan:
stoeën (Q090p Mopertingen)
|
staan [ZND 46 (1946)]
III-1-2
|
| 20125 |
staart |
staart:
stat (Q090p Mopertingen, ...
Q090p Mopertingen)
|
Zie afbeelding 2. [JG 1a, 1b, 2c; monogr.] || Zie afbeelding 2.37. [JG 1a, 1b; RND 60]
I-12, I-9
|
| 33976 |
staartriem |
staartleer:
statlē̜r (Q090p Mopertingen),
staarttoom:
stattō.m (Q090p Mopertingen)
|
Riem die onder de staart van het paard doorloopt en aan het haam of aan het borsttuig is vastgemaakt als het paard geen zadel draagt. Dit onderdeel van het paardetuig was al aan het verdwijnen in de laatste fase van het met kar en paard rijden. Het belet dat het haam naar voren schuift als het paard het hoofd buigt. [JG 1b, 1c, 2b, 2c; monogr.]
I-10
|
| 28377 |
stal |
stal:
stã.l (Q090p Mopertingen)
|
Een ruimte in het algemeen, die onderdak biedt aan vee. De benamingen kunnen zowel het gebouw, als de ruimte daarbinnen betreffen. Meestal wordt kortheidshalve van "de stal" gesproken, als men het veeverblijf en met name de koestal bedoelt. [JG 1a en 1b; Wi 11; S 50; L A1, 4; RND 97; monogr.; add. uit N 5A, passim]
I-6
|