| 22431 |
feest |
feest:
’t feest woar lans, en t how genge e liēëd gezoŏnge (Q252p Moresnet)
|
Feest: het feest verliep, zonder dat er een lied werd gezongen. [ZND 46 (1946)]
III-3-2
|
| 33837 |
fijngebouwd |
(een) lichte:
līǝtǝ (Q252p Moresnet)
|
Gezegd van een paard met dunne, fijngebouwde poten. [N 8, 64c]
I-9
|
| 18024 |
fluimen uitspuwen |
fluimen:
fleͅ.mə (Q252p Moresnet),
koeten:
kű.tə (Q252p Moresnet)
|
spuwen: fluimen uitspuwen [kwalstere, kwaajere, uitgooje] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 33849 |
galopperen |
galopperen:
jalopērǝ (Q252p Moresnet)
|
De galop is een drie-tempogang. Het paard beweegt met lange, gelijkmatige passen en leidt met één van de voorbenen. Beginnend met het rechter voorbeen gaat het als volgt verder: links achter (linker diagonaal), rechts achter en links voor, gevolgd door een zweefmoment. Bij het grootste aantal paarden hoort men drie hoefslagen (zie drieslag), waarbij de nederzetting van de twee voeten overkruis geschiedt. Enkel bij de galop van zeer goed gedresseerde man√®gepaarden worden de vier hoefslagen gehoord. Dit laatste heeft niets te maken met "vierkappens, vierklauwens of viervoetig lopen", wat "snel lopen" betekent. Zie afbeelding 10. [JG 1b; N 8, 20, 81c, 81d, 81e en 81f]
I-9
|
| 17623 |
gebit |
gebit:
jǝbet (Q252p Moresnet)
|
Het geheel van alle tanden en kiezen van een paard. [JG 1a, 1b; N 8, 17 en 18b]
I-9
|
| 33879 |
geboorteomhulsel van een veulen |
net:
nets (Q252p Moresnet)
|
Het vruchtvlies dat na de geboorte van het veulen afkomt. Als de merrie het veulen alleen ter wereld brengt, stikt het veulen meestal in de zak, die zo sterk is, dat hij met behulp van een mes of scherp voorwerp geopend moet worden. [N 8, 54, 55 en 56]
I-9
|
| 17545 |
gedrongen persoon |
gedrongen, een -:
heͅə(n) e.s enə jədroŋə (Q252p Moresnet)
|
klein van gestalte [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33915 |
gedrukt |
geblesseerd:
blɛsiǝt (Q252p Moresnet)
|
Een slecht passend tuig - vooral het gareel bij het trekken - drukt door op de huid. Het paard krijgt drukwonden en vlekken. Vgl. het lemma ''witte vlekken'' (7.34). [N 8, 94b]
I-9
|
| 24150 |
geelgors |
geelgeuts:
jēͅ:lju.tš (Q252p Moresnet)
|
geelgors (16,5 bruine stuit; man heeft meer of minder geel aan kop en borst; hele jaar overal buiten stad en dorp te zien; ook veel op trek; bekraste eitjes; roep [tsp]; zang eenvoudig [ti-ti-ti-ti-...du]; kooivogel [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17834 |
geeuwen |
gapen:
ja͂.pə (Q252p Moresnet)
|
gapen [N 10 (1961)]
III-1-2
|