| 33705 |
gegraven waterloop |
graaf:
grāf (Q252p Moresnet)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 17960 |
gehurkt zitten |
op de hukken zitten:
o.pən hu.kə ze.tə (Q252p Moresnet)
|
hurken, op zijn ~ zitten [op de huuke, op znen huik, op zn huiketjes zitte] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 24151 |
gekraagde roodstaart |
roodstotsje:
ru‧ə.šty.tskə (Q252p Moresnet)
|
gekraagde roodstaart (14 rood trilstaartje; man heeft zwart gezicht en iets rossige buik; zomervogel; algemeen; broedt in boomgaten; roep [uuiet-tak-tak]; zachte, heldere zang begint met [jie-dru-dru] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17580 |
gekruld haar |
krullenharen:
kro.lə hōͅ:rə (Q252p Moresnet)
|
gekruld haar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 32979 |
gerst |
gerst:
ję.ǝs (Q252p Moresnet)
|
Hordeum L. De gerstteelt was in Belgisch Limburg betrekkelijk zeldzaam. Bij zomergerst wordt aangetekend: vooral bestemd voor de brouwerij; bij wintergerst: vooral bestemd als veevoer. Volgorde varianten van gerst: 1. met "rst" in de auslautgroep; 2. met "st"; 3. met "rs"; en 4: met alleen "s" in de auslautgroep; zie de eerste klankkaart [kaart 6]; in de tweede klankkaart [kaart 7] is de geografische verspreiding van het vocalisme weergegeven. Zie afbeelding 1, d. [JG 1a, 1b; L A1, 127; L 1 a-m; L 24, 6a; L lijst graangewassen, 2; R 3, 24; S 10; Wi 53; monogr.]
I-4
|
| 33790 |
geslachtsorgaan van de hengst als geheel |
gemecht:
jǝmę.ks (Q252p Moresnet)
|
[JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 17564 |
gewricht |
gelenk (du.):
jəleͅ.ŋk (Q252p Moresnet)
|
gewricht, gewrichten (draaipunt in het beenderstelsel) [gewrichte, gewervele, gewerve] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17589 |
gezicht (spotnamen) |
fresse (du.):
B.v. .e.jen vree.s howe.
vrē.s (Q252p Moresnet),
visage (fr.):
vi.ẓā:š (Q252p Moresnet)
|
gezicht, gelaat: spotbenamingen [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18038 |
gezwel |
zweer:
šwē:r (Q252p Moresnet)
|
gezwel [bel] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 32611 |
gier oproeren |
roeren:
r˙ø̄rǝ (Q252p Moresnet)
|
Bij het oppompen van de gier moest men geregeld de inhoud van de gierkelder oproeren, om te voorkomen dat de dikkere giermaterie, het gierbezinksel, onder in de put zou blijven en door de pomp niet meer opgezogen zou kunnen worden. [JG 1a + 1b; N 11A, 59b; S 30; monogr.]
I-1
|