| 33829 |
onelegant paard |
(een) gewoonlijke:
jǝwø̄nlǝjǝ (Q252p Moresnet)
|
Lomp paard. [N 8, 20 en 62n]
I-9
|
| 25057 |
ongeordende hoeveelheid, chaos |
boel:
boel (Q252p Moresnet, ...
Q252p Moresnet,
Q252p Moresnet)
|
boel [ZND 01 (1922)], [ZND 32 (1939)], [ZND 33 (1940)]
III-4-4
|
| 17973 |
onwel |
niet goed:
nit goot (Q252p Moresnet)
|
hij is niet al te wel; hij is onpasselijk (de echte dialectwoorden hiervoor) [ZND 32 (1939)]
III-1-2
|
| 17592 |
oog |
oog:
ət o.w (Q252p Moresnet)
|
oog [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 24220 |
ooievaar |
stork:
štōͅ.rəx (Q252p Moresnet)
|
ooievaar (102 bij iedereen bekend; nu verdwenen uit Brabant, behalve uit het noord-westen [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 17615 |
oorlel |
oorlapje:
uə.rleͅ.pkə (Q252p Moresnet)
|
oorlel, oorlelletje [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 17965 |
op de schouder nemen, dragen |
op de nek dragen:
obən na.k drā:jə (Q252p Moresnet)
|
rug: op de rug zitten [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17966 |
op de schouder zitten |
op de nek zitten:
obən na.k se.tə (Q252p Moresnet),
op de schouders zitten:
o.bən šo.w.ər ze.tə (Q252p Moresnet)
|
rug: op de rug zitten [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 33851 |
op hol slaan |
derdoor gaan:
dǝrdø̜̄rǝx jūǝ (Q252p Moresnet)
|
Aan het hollen gaan, niet meer aan het commando gehoorzamen. [JG 1a, 1b; N 8, 81f]
I-9
|
| 32927 |
op oppers zetten, opperen |
hopen:
hø̄.pǝ (Q252p Moresnet)
|
Het bijeenwerken in de grootste soort hooihopen, oppers, die in het veld en direct op de grond, worden gemaakt; ze kunnen wel tot 3 meter hoog worden opgezet. Het voorwerp van de overgankelijke werkwoorden is steeds: hooi. Wanneer het resultaat van de handeling, i.c. de opper, in het woordtype voorkomt, wordt steeds door middel van ø...ŋ verwezen naar de woordtypen van het lemma ''opper''. Om de vergelijking te vergemakkelijken is in dit lemma dezelfde volgorde van woordtypen of afleidingen daarvan aangehouden als in het lemma ''opper''.' [N 14, 111; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|