| 34446 |
mannelijke geit |
bok:
buk (P181p Muizen)
|
[N 70, 8; N 77, 78; N 77, 80; A 9, 19; L 32, 82; Wi 11; RND 89; JG 1a, 1b, 2c; Vld.; monogr.]
I-12
|
| 19960 |
mannelijke hond, reu |
reu:
røͅi (P181p Muizen)
|
reu, mann. hond [Goossens 2c (1963)]
III-2-1
|
| 21271 |
markt |
markt:
mɛrək (P181p Muizen)
|
markt [RND]
III-3-1
|
| 33044 |
mathaak |
haak:
hōǝk (P181p Muizen)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjónéés (P181p Muizen)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|
| 21273 |
meester |
meester:
mīəstər (P181p Muizen)
|
(school)meester [RND]
III-3-1
|
| 33337 |
meid, dienstmeid |
maagd:
mǭxt (P181p Muizen)
|
Meid is een noordelijke vorm, een samentrekking uit maged, maagd. Kok en keukense slaan op de keukenmeid. Dienstbode is een expansie uit de (Noord-)Nederlandse standaardtaal. [L 1, a-m; L 1u, 156; L 38, 10; RND 118; R 12, 30; S 6 en 23; Wi 6; monogr.]
I-6
|
| 21288 |
melkboer |
melkboer:
miləgbuur (P181p Muizen)
|
melkboer [RND]
III-3-1
|
| 32700 |
mest ondiep onderploegen |
belken:
[belken] (P181p Muizen)
|
De over het land verspreide mest werd in het najaar, wanneer men een akker zodanig beploegde dat hij in de winter goed kon uitvriezen, voorlopig ondergeploegd. In het voorjaar werd de mest, eventueel nadat de wintervoren weer waren teruggeploegd, definitief en diep ondergeploegd bij het zaaiklaar maken van de akker. De met onder- en in- beginnende termen hebben "mest" tot object. De simplicia belken, stroppen, stropen, flatsen, kuiteren en droten betreffen een manier van ondiep ploegen en veronderstellen alszodanig niet "mest", maar "de akker", "een stuk" e.d. als direct object. Dat is waarschijnlijk ook het geval bij de met om- beginnende woorden. Deze termen duiden dus de voor het onderslaan van mest gevolgde ploegmethode aan. Behalve stalmest kan ook een groenbemestingsgewas oppervlakkig worden ondergeploegd. Voor (delen van) varianten die hieronder in de (...)-vorm zijn vermeld, zie men de lemmata ondiep, ondiep ploegen en onderploegen. [N 11, 44; N 11A, 110a + b; JG 1a + 1b + 2c; monogr.]
I-1
|
| 34003 |
met paard en kar rijden |
varen:
vǭ.rǝ (P181p Muizen),
voeren:
vyi̯ǝrǝ (P181p Muizen)
|
[JG 1b, 2c; N 8, 100; Wi 33; monogr.]
I-10
|