e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Munstergeleen

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
tafel tafel: tōͅfəl (Munstergeleen) tafel [SGV (1914)] III-2-1
tafelbroeder; niet te gebruiken weeskindje: weͅi̯skeͅntj (Munstergeleen) tafelbroeder [DC 05 (1937)] III-2-2
tafelzuster; niet te gebruiken weeskindje: weͅi̯skeͅntj (Munstergeleen) tafelzuster [DC 05 (1937)] III-2-2
tak (alg.) tak: tak (Munstergeleen) tak [SGV (1914)] III-4-3
tak op ingezaaid land strowis: štrøǝwø̜š (Munstergeleen) De tak, stok of bundel stro die men op de pas ingezaaide akkers plaatste om aan te geven dat deze niet betreden mochten worden door jagers en anderen. Voor streep, zie WNT s.v. in de betekenis "grensteken". [N M, 26; monogr.] I-4
takken (coll.) tak (mv.): tek (Munstergeleen) takken (mv.) [SGV (1914)] III-4-3
takkenbos, bussel hout doornenschans: dööresjans (Munstergeleen), schans: sjans (Munstergeleen) inventarisatie benamingen takkenbos, bussel takken en twijgen alnaargelang houtsoort of boslengte [N 27 (1965)] || takkenbos, bussel takken en twijgen [N 27 (1965)] I-7
talud berm: bɛrm (Munstergeleen), graaf: grāf (Munstergeleen) De aflopende kant van een weg, dijk of sloot. Een aantal woordtypen duidt op een sloot of greppel naast de weg, terwijl gevraagd was naar de ø̄aflopende kant van een weg, dijk, of slootø̄. [N M, 27; N 11, 7a; N 11, 7b; monogr.] I-8
tand tand: tandj (Munstergeleen), tantj (Munstergeleen) tand [DC 01 (1931)], [SGV (1914)] III-1-1
tanden tanden (mv.): tenj (Munstergeleen) tanden [SGV (1914)] III-1-1