| 18597 |
werkdaagse jas |
werkdaagse jas:
eine werdisje jas (Q022p Munstergeleen)
|
werkdagen (mv.) [een jas voor de - ] [SGV (1914)]
III-1-3
|
| 21486 |
werkdag |
werkdag:
eine werdisje jas (Q022p Munstergeleen)
|
werkdagen (mv.) [een jas voor de - ] [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 29932 |
werkjasje |
kiel:
kēl (Q022p Munstergeleen)
|
De kiel die men in L 321 kende, reikte tot even over de heupen, was hoog gesloten en had een klein, staand boordje en twee opgestikte zakken. Het jasje was vervaardigd van lichtbruine 'pilo' ('pi`lo'), een stof die volgens de zegsman gauw vaal werd. [N 30, 5b; monogr.]
II-9
|
| 18305 |
werkschoen |
werkschoen:
wirksjoon (Q022p Munstergeleen)
|
ploegschoenen [bow-, werkschoon] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24399 |
wesp |
wesp:
wìsp (Q022p Munstergeleen)
|
wesp [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 30848 |
wetsteen |
slijpsteen:
šlīpštęi̯n (Q022p Munstergeleen)
|
De doorgaans in flauw-ovale punten uitlopende, platte korund (carborundum) steen van ongeveer 20-30 cm. lang, waarmee de zeis of de zicht gewet wordt in het veld. Zie de toelichting bij het lemma ''strekel'' en de algemene toelichting bij deze paragraaf. Daar het (oude) onderscheid tussen beide instrumenten (voornamelijk) in het materiaal lag, konden de opgaven met het element -steen hier worden ondergebracht. Niet altijd was de wetsteen van de industriële carborundum-steen vervaardigd. De zegsman van L 434 voegt toe dat de wetsteen gewoonlijk een stuk harde Naamse steen was; die van L 269 en Q 101 dat het een stuk leisteen was en soms gebruikte men een stuk dakpan (zie het betreffende woordtype). Aangaande het onderscheid tussen de kennelijk naast elkaar gebruikte wetsteen en cementen strekel, merkt de zegsman van L 313 nog op dat "de wetsteen korter (is) dan de cementen strekel en wordt gebruikt als de zeis te bot is om ze te wetten (sc. met de strekel) en nog te scherp om ze te haren". Zie verder de toelichting bij het lemma ''slijpbus''.' [N 18, 82; N 18, 80 add.; N 14, 131 add.; N 15 add.; JG 1a, 1b, 1d; A 4, 28f; A 23, 16II; L 20, 28f; Gwn 7, add.; monogr.]
I-3
|
| 24408 |
wezel |
wezel:
wezel (Q022p Munstergeleen, ...
Q022p Munstergeleen)
|
wezel [DC 07 (1939)], [SGV (1914)]
III-4-2
|
| 33300 |
wieden, algemeen |
geden:
gēǝ (Q022p Munstergeleen),
gē̜ (Q022p Munstergeleen),
gē̜i̯ǝ (Q022p Munstergeleen),
wieden:
wiǝ (Q022p Munstergeleen)
|
Onkruid bestrijden in het algemeen, ongeacht de manier waarop of het gereedschap waarmee dat gebeurt. Vergelijk ook de meer specifieke handelingen in de andere lemmaɛs van deze paragraaf. De benamingen voor het object onkruid, dat in de woordtypen tussen haken is geplaatst, vindt men in het lemma Onkruid, Algemeen. [N 15, 2; N Q, 11b; JG 1a, 1b, 2c; A 47, 11b; L B2, 272; L 8, 92; S 43, Wi 39; monogr.; add. uit N 18, 8b; A 39, 1b]
I-5
|
| 19969 |
wieg |
wieg:
weeg (Q022p Munstergeleen)
|
wieg [SGV (1914)]
III-2-2
|
| 33056 |
wiekenstel van de pikbinder |
molen:
mø̄lǝ (Q022p Munstergeleen)
|
Constructie van latten die de halmen over het mes van de pikbinder neerbuigt. [N J, 4b; monogr.]
I-4
|