| 20547 |
olie |
olie:
aolie (L294p Neer)
|
olie; Hoe noemt U: De vette vloeistof die b.v. gebruikt wordt bij het aanmaken van sla of het braden van vlees (smout, olie) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20701 |
oliebol |
oliebol:
Syst. WBD
aoliebó.l (L294p Neer),
òòliebul (L294p Neer),
oliekoek:
Syst. WBD
òòliekook (L294p Neer)
|
Oliebol (nonnevot?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 20759 |
oliekoek |
oliekoek:
Syst. WBD
òòliekook (L294p Neer)
|
In raapolie gebakken ronde koek van meel, krenten en eieren (oliekoek?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 17916 |
omarmen |
omarmvollen:
omervele (L294p Neer)
|
omvatten, Met gestrekte armen ~ (vademen, omvademen, spannen, omarmen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33745 |
omheinen |
afmaken:
āfmākǝ (L294p Neer),
pindraad trekken:
pendrǭt trękǝ (L294p Neer)
|
Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 19711 |
omheining |
tuin:
tūn (L294p Neer)
|
De omheining in het algemeen. [N 14, 62; N 14, 67; S 11, 13; L 19B, 5a; A 25, 5; RND 8, 20; Gwn 16, 11; monogr.]
I-8
|
| 17850 |
omhooggaan |
naar boven gaan:
nao boove gaon (L294p Neer),
omhooggaan:
omhoog gaon (L294p Neer)
|
rijzen: Naar boven gaan, omhooggaan (rijzen, stijgen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 33792 |
omhulsel van het teellid |
koker:
kǭkǝr (L294p Neer)
|
Schede van de roede. [JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
plag:
plak (L294p Neer),
plaggetje:
plèkske (L294p Neer),
snoelik:
[sic]
snōēlik (L294p Neer)
|
schouderdoek, wollen ~ of omslagdoek, soms ook wel over het hoofd gedragen [neus-, nuisdook, nuizek, nuzzing, plak, plaggen, sjelon, falie] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 25013 |
omtrek, omvang |
omtrek:
omtrek (L294p Neer)
|
de hoofdlijn die de grenzen van een figuur uitmaakt en er de vorm van bepaalt [omtrek, omkant] [N 91 (1982)]
III-4-4
|