| 25192 |
sneeuwbui |
sneeuwbui:
snîêbuu (L294p Neer)
|
sneeuwbui, sneeuwvlaag [sneeuwvlei] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25137 |
sneeuwen |
sneeuwen:
’t sjniejt (L294p Neer)
|
sneeuw [schimmel] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25191 |
sneeuwx |
sneeuw:
snie-e (L294p Neer),
cf. VD D-N s.v. "Schnee
sjnîê (L294p Neer)
|
sneeuw [RND] || sneeuw [schimmel] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 32269 |
snijbank, werkbank |
repenbank:
ręjpǝbaŋk (L294p Neer),
trekbank:
tręk˱baŋk (L294p Neer)
|
De bank waarop de duigen worden bewerkt. Er zijn diverse uitvoeringen van de snijbank, maar meestal bestaat ze uit een werkblad op vier poten dat op een, eveneens van vier poten voorziene, zitbank is bevestigd. In het werkblad en de daaronder geplaatste bank bevindt zich een sleuf waarin een, om een as draaibare, houten stijl is aangebracht. Aan de bovenzijde van de stijl is een klemkop bevestigd, aan de onderzijde een trede. De kuiper zit schrijlings op de zitbank en bedient met zijn voet door middel van de trede de klemkop waarmee het te bewerken materiaal op het werkblad wordt vastgeklemd. Zie ook afb. 212. De snijbank werd oorspronkelijk ook gebruikt door de hoepelmaker. Het hout voor de hoepels werd op deze bank op dikte en maat gesneden. Vgl. ook het woordtype repenbank. [N E, 18; A 32, 1; monogr.]
II-12
|
| 33514 |
snijbonen |
krombekken:
eigen spellingsysteem
krombek (L294p Neer)
|
Een soort van snijboon of van peul waarvan de dop een kromme vorm heeft (krombek, mussebek). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 30940 |
snijmes |
bodemmes:
bǭmmɛts (L294p Neer
[(gebruikt om de rand van de bodem van het vat af te schuinen)]
),
bodemsnijmes:
bǭmšnīmɛts (L294p Neer
[(gebruikt om de rand van de bodem van het vat af te schuinen)]
),
schilmes:
šęlmɛts (L294p Neer),
speekmes:
špęjkmɛts (L294p Neer)
|
Lang mes met een recht blad en twee, vaak bolvormige, handvatten. Zie ook afb. 209. Het snijmes wordt gebruikt door diverse houtbewerkers zoals de timmerman, de stoeldraaier, de kuiper en de wagenmaker. De kuiper bewerkt er vooral de buitenkant van duigen mee, maar hij vormt er vaak ook de schuine buitenrand mee aan een vatbodem. Vgl. de woordtypen bodemmes en bodemsnijmes. De wagenmaker snijdt er spaken voor karwielen mee. Het eerste lid in het woordtype speekmes verwijst daarnaar. [N E, 13b; N E, 15; N E, 41; N G, 11a; N 33, 272; N 47, 12a; N 53, 76; A 32, 6; monogr.]
II-12
|
| 18134 |
snijwonde |
krap:
krap
krab (L294p Neer)
|
Snijwond: door snijden veroorzaakte wond (sleuf, kreeuw, vil, slip, schorp, krab). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 19040 |
snikken |
snikken:
snikke (L294p Neer)
|
snikken [snoffe] [N 10 (1961)]
III-1-4
|
| 21450 |
snipper |
snipper:
sjnipper (L294p Neer)
|
een afgesneden, afgeknipt of afgescheurd stukje papier of stof [snipper, stoike, schreudje, schroodje, snippeling] [N 91 (1982)]
III-3-1
|
| 20549 |
snoepgoed |
lekker:
lekker (L294p Neer),
slok:
sjlok (L294p Neer)
|
snoepgoed; Hoe noemt U: Zoetigheid, lekkernij, snoeperij, snoepgoed (mem, smul, lekker, lakker, snoep, lekkergoed, lekkerigheid, sneukelderij, snuisterij, kokerel, zoetigheid, grevegoed) [N 80 (1980)]
III-2-3
|