| 20796 |
geeuwhonger |
geeuwhonger:
giehonger (L321p Neeritter)
|
geeuwhonger [SGV (1914)]
III-2-3
|
| 33705 |
gegraven waterloop |
afwateringsgraaf:
āfwātǝreŋsgrāf (L321p Neeritter),
graaf:
grāf (L321p Neeritter)
|
In het algemeen is in dit lemma sprake van een gegraven waterloop als afscheiding of om overtollig water af te voeren of om te bewateren. In dialectenquêtes zijn er veel vragen gesteld naar de benamingen voor een sloot, graaf of gracht. In de antwoorden bleek veel overlap te zitten. Het gaat hier om waterlopen die verschillend van breedte kunnen zijn. Omdat de antwoorden hierover niet eenduidig waren, was het niet mogelijk aan een begrip een vaste breedte toe te kennen. Algemeen kan men zeggen dat een gracht een bredere sloot is, een graaf een wat bredere, vaak droge sloot, en dat een goot, grub en zouw wat smallere waterlopen zijn. Het overeenkomstige bij alle waterlopen is dat ze gegraven zijn. [N 27, 24; AGV, m1; A 20, 1c; A 20, 1d; A 10, 21; A 2, 48; L 24, 27; L 1a-m; L 36, 4; L A1, 62; Lu 1, 5; R 14, 23j; S 11, 33; monogr.]
I-8
|
| 20692 |
gehakt |
gehakt:
gehakjt (L321p Neeritter)
|
Fijngehakt vlees (bilber?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 34425 |
geheel afgeschoren wolvacht |
bloot:
bloǝt (L321p Neeritter),
rok:
rok (L321p Neeritter),
schaapsbloot:
šǭpsbloǝt (L321p Neeritter)
|
De gehele vacht wol van het schaap, wanneer dit geschoren wordt. [N 38, 19; L 41, 37; monogr.]
I-12
|
| 17621 |
gehemelte |
gehemelte:
geemeljte (L321p Neeritter),
raak:
raak (L321p Neeritter)
|
gehemelte [raak, geemel] [N 10a (1961)]
III-1-1
|
| 21317 |
gehucht |
gehucht:
gehöcht (L321p Neeritter)
|
gehucht [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 17960 |
gehurkt zitten |
op zijn hukje zitten:
op z`n huukske zitten (L321p Neeritter)
|
hurken, op zijn ~ zitten [op de huuke, op znen huik, op zn huiketjes zitte] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 27539 |
geit |
geit:
gē̜i̯t (L321p Neeritter)
|
Geit in het algemeen. Ten aanzien van germ merken enkele informanten (L 292 (Heythuysen), Q 99 (Meerssen), 111* (Ransdaal)) op dat hiermee een vrouwelijke geit wordt bedoeld. Zie afbeelding 7. [N 77, 74; L 14, 32; A 9, 20; JG 1a, 1b; Wi 7; NE I, 16; AGV, m3; Gwn 5, 13; Vld.; monogr.; S, Q 105 add.; S 10, add.]
I-12
|
| 20671 |
geitenmelksepap |
lammetjespap:
lemmekuspap (L321p Neeritter)
|
Pap van geitemelk (mienekespap?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 30175 |
geknipt werk |
gesneden voeg:
gǝsnęjǝ vōx (L321p Neeritter),
knipwerk:
knepwęrǝk (L321p Neeritter),
snijwerk:
sniwęrǝk (L321p Neeritter)
|
Wijze van voegen waarbij de voegen eerst met fijne witte specie worden volgezet en vervolgens langs de kanten met een voegijzer of mesje schuin worden afgesneden. Geknipt werk vervaardigen noemde men in L 163 'knippen' ('knepǝ') of 'snijden' ('snejǝ'), in K 353 'bovenop voegen' ('bōvǝnup ˲vugǝ'). [N 32, 34d; N 32, 35a; N 32, 35c; monogr.]
II-9
|