| 32979 |
gerst |
gerst:
gɛ̄.rst (L312p Neerpelt)
|
Hordeum L. De gerstteelt was in Belgisch Limburg betrekkelijk zeldzaam. Bij zomergerst wordt aangetekend: vooral bestemd voor de brouwerij; bij wintergerst: vooral bestemd als veevoer. Volgorde varianten van gerst: 1. met "rst" in de auslautgroep; 2. met "st"; 3. met "rs"; en 4: met alleen "s" in de auslautgroep; zie de eerste klankkaart [kaart 6]; in de tweede klankkaart [kaart 7] is de geografische verspreiding van het vocalisme weergegeven. Zie afbeelding 1, d. [JG 1a, 1b; L A1, 127; L 1 a-m; L 24, 6a; L lijst graangewassen, 2; R 3, 24; S 10; Wi 53; monogr.]
I-4
|
| 18312 |
geruite jurk |
geruit kleed:
geroet kliët (L312p Neerpelt)
|
jurk van geruite stof [ruutekeskleid] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 21595 |
geschiedenis |
historie:
(ən) historie vertɛllen (L312p Neerpelt),
iets:
its vərtelən (L312p Neerpelt),
vertelseltje:
(voor kinderen)
vertɛlselke vertɛllen (L312p Neerpelt),
wat:
wa vertɛllen (L312p Neerpelt)
|
Een geschiedenis vertellen [ZND 24 1937)]
III-3-1
|
| 33790 |
geslachtsorgaan van de hengst als geheel |
supieten:
sǝpiǝtǝ (L312p Neerpelt
[(supiet: zwezerik)]
)
|
[JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 34063 |
geslachtsrijpe koe |
dekvaars:
dɛkvē̜rs (L312p Neerpelt),
stiervaars:
stīrvɛ̄rs (L312p Neerpelt)
|
Jong rund dat oud genoeg is om gedekt te worden. [N 3A, 23]
I-11
|
| 33328 |
gesloten boerderijtype |
toe plaats:
tǫu̯ [plaats] (L312p Neerpelt),
winning:
[winning] (L312p Neerpelt)
|
De bouwdelen van dit boerderijtype omsluiten het erf aan alle vier de zijden; in Nederland wordt dit type wel de "Limburgse hoeve" genoemd. Voor de fonetische documentatie van de woorden tussen vierkante haken wordt verwezen naar het lemma "boerderij, algemeen"(1.1.1). Zie kaart 4, het Ten Geleide van deze aflevering en afbeelding 6. [N 4A, 4]
I-6
|
| 23491 |
gesloten kapelletje? |
toe kapelletje:
en touw kepelleke (L312p Neerpelt)
|
Een kapelletje waar men niet in kan, waarin achter traliewerk een kruis of een beeld staat. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 34394 |
gesneden mannelijk schaap |
kas:
kaš (L312p Neerpelt)
|
[N 19, 65a; JG 1a, 1b, 1c, 2c; AGV m 3; A 2, 46; A 4, 22a; R 3, 24; N 77, add.; L 39, 44; L 20, 22a; L 5, 30b; Wi 12; monogr.]
I-12
|
| 34305 |
gesneden mannelijk varken |
berg:
bɛrx (L312p Neerpelt),
bɛ̄.rǝx (L312p Neerpelt)
|
Het WNT (II, 1 blz. 1872 s.v. berg (II)) geeft de volgende definitie van berg: "Hetzelfde als Barg (I), inzonderheid toegepast op de mannelijke biggen die, ongeveer drie weken oud, zijn gesneden". [N 19, 8; A 4, 4b; A 4, 4a; L 20, 4b; L 37, 49e; JG 1a, 1b, 2c; S 39; N C, add.; monogr.; N E 1, 12]
I-12
|
| 34309 |
gesneden vrouwelijk varken |
gelt:
gelt (L312p Neerpelt)
|
Uit de antwoorden blijkt dat gelt verschillende betekenissen kan hebben. Er zijn informanten (K 278, L 421, 422, 423, Q 197, 211) die zeggen dat het snijden van een vrouwelijk varken ter plekke onbekend is. Het onvruchtbaar maken bestond uit het doorknippen van de eileiders. [N 19, 9; A 4, 4c; L 20, 4c; L 37, 49e; JG 1b; L 37, 49f; monogr.]
I-12
|