| 20511 |
filet, haas |
filet:
fielie (Q117p Nieuwenhagen),
ossehaas:
òssehāās (Q117p Nieuwenhagen)
|
lendestuk; Hoe noemt U: Lendestuk, ossehaas (ossehaas, harst, osseharst, runderharst, filet) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 21853 |
filiaal |
filiaal (<fr.):
fĭĕlĭĕāāl (Q117p Nieuwenhagen)
|
de tak van een handelshuis op een andere plaats dan waar het hoofdgebouw gevestigd is, bijwinkel [succursaal, filiaal, bijwinkel] [N 89 (1982)]
III-3-1
|
| 34242 |
filter in de melkzeef |
melkzeef:
mɛlkzēf (Q117p Nieuwenhagen)
|
In het algemeen is de filter een linnen of katoenen lap waardoor de melk gezuiverd wordt van verontreinigingen. In plaats van deze lap gebruikt men ook wel een vel filtreerpapier of een schijf watten. Ouderwets is de met paardenhaar vervaardigde melkzeef. [L 48, 35.Ia, Ib en Ic; Lu 2, 35.Ib en Ic; A 18, 11b en 11c; BN 2, 4; monogr.]
I-11
|
| 19931 |
fitting |
fitting:
feteŋ (Q117p Nieuwenhagen)
|
In het algemeen een hulpstuk met schroefdraad, dat dient om twee pijpstukken met elkaar te verbinden. [N 64, 117a]
II-11
|
| 24146 |
fladderen |
fladderen:
flàddərə (Q117p Nieuwenhagen)
|
fladderen op gebrekkige wijze of bij korte beurten vliegen, gezegd van jonge vogels (flodderen, plodderen, plodden, vluggen, flaggeren, floddervleugelen) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 23264 |
flambouw |
flambouw (<fr.):
flambouw (Q117p Nieuwenhagen),
ing flambouw (Q117p Nieuwenhagen)
|
Een lantaarn met daarin een brandende kaars die tijdens de processie naast het Allerheiligste werd meegedragen, flambouw. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 20838 |
flauw |
flauw:
flauw (Q117p Nieuwenhagen),
laf:
làf (Q117p Nieuwenhagen)
|
niet zout of hartig smakend (meeps, laf, flauw, flets, fleps) [N 91 (1982)]
III-2-3
|
| 18010 |
flauwvallen |
kwalijk worden:
kaolig wééëdə (Q117p Nieuwenhagen),
van de sokken gaan:
van de zökke gaoë (Q117p Nieuwenhagen),
van zijn stokje gaan:
vàn ut sjtöksjə gaoë (Q117p Nieuwenhagen)
|
het bewustzijn verliezen [DC 60 (1985)] || zwijm: In onmacht, in zwijm vallen (bezwijmen, vallen, zwijmelen, zwinden, kwalijk worden). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 28043 |
flens |
flens:
flens (Q117p Nieuwenhagen
[(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]
[Zolder]),
fle̜ns (Q117p Nieuwenhagen)
|
Een soort kraag aan het uiteinde van pijpen of buizen waardoor deze met behulp van bouten gas- en waterdicht aan elkaar bevestigd kunnen worden. Zie ook het lemma ɛflensɛ in WLD deel II.5, pag. 131.' [N 64, 121a; monogr.] || Opstaande rand aan het einde van buizen om deze met schroeven aan elkaar te kunnen verbinden. [N 95, 826; monogr.]
II-11, II-5
|
| 20525 |
flensje |
pannenkoekje:
pànnekuksjke (Q117p Nieuwenhagen)
|
flensje; Hoe noemt U: Een dun pannekoekje, een flensje (struifje, koekje, flensje, broedertje) [N 80 (1980)]
III-2-3
|