| 23770 |
kerstnacht |
kerstnacht:
Krisnach (Q117p Nieuwenhagen),
krisnāāg (Q117p Nieuwenhagen)
|
De nacht van 24 op 25 december waarin Christus geboorte herdacht wordt, kerstnacht [krisnach]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23775 |
kerststal |
kerststal:
Kris-sjtal (Q117p Nieuwenhagen),
krissjtāāl (Q117p Nieuwenhagen)
|
Een kerststal. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 27690 |
ketelhuis |
ketelhuis:
kę̄tǝlhūs (Q117p Nieuwenhagen
[(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]
[Emma, Hendrik, Wilhelmina])
|
Plaats waar de stoomketels van de mijn zich bevinden. Zij produceren stoom voor de aandrijving van generatoren en persluchtcompressoren. [N 95, 17; monogr.]
II-5
|
| 32783 |
kettingeg, weide-eg |
sleep:
[sleep] (Q117p Nieuwenhagen),
weie(n)[eg]:
wei̯ǝ[eg] (Q117p Nieuwenhagen)
|
De kettingeg bestaat uit een vier-, soms driehoekig raam of slechts uit een losse voor- en achterbalk, waartussen kettingen gespannen zijn. Aan deze kettingen zijn korte en lichte tanden bevestigd. Zie afb. 13 en 14. Met de kettingeg wordt voornamelijk licht werk verricht. Het bekendst is het gebruik als weide-eg. Men bewerkt de weide met de kettingeg om de grasmat luchtiger te maken, om mest te verspreiden en molshopen te slechten. Men kan de kettingeg ook gebruiken om gerooide en in panden gelegde suikerbieten van de aanklevende aarde te ontdoen. Soms wordt met de kettingeg ook akkerland bewerkt. Van enige termen aan het einde van het lemma vindt men de plaatselijke varianten in het lemma ´akkersleep, weidesleep´ vermeld. Voor ''eg'' en ''eg'' zie men de toelichting bij het lemma ''eg''. [JG 1a + 1b + 2c; A 13, 16b; A 40, 10; N 11, 72e + 71 add.; N 11A, 163a + 181f; N 14, 81 add.; N J, 10; N P, 18b; monogr.]
I-2
|
| 18894 |
keus |
keus:
keus (Q117p Nieuwenhagen),
uit-wahl (< du.):
ōētwāāl (Q117p Nieuwenhagen)
|
het kiezen, de mogelijkheid om te kiezen [keus, keur] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 21461 |
kibbelen |
zengen:
(zich) tsànkə (Q117p Nieuwenhagen)
|
het niet eens zijn en ruzie maken over kleinigheden, door wederzijds gebrek aan inschikkelijkheid vooral gezegd van kinderen [stechelen, sechelen, aantelen, akkenaaien, naarswaar-zen, grendelen, stensen, keken, kibbelen] [N 85 (1981)]
III-3-1
|
| 18208 |
kiel |
boerenkiel:
boerekeel (Q117p Nieuwenhagen)
|
kiel, blauwlinnen of katoenen jasje van werklieden en boeren [keel, toekiel, kletsjet, plankerten] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 24513 |
kiem |
scheut:
WBD/WLD
sjūūët (Q117p Nieuwenhagen)
|
De in het rijpe zaad ingesloten aanleg tot een nieuwe plant (kiem, scheut). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24496 |
kiemen |
schieten:
WBD/WLD
sjēētə (Q117p Nieuwenhagen),
uitlopen:
WBD/WLD
ōētlōōpə (Q117p Nieuwenhagen),
uitslaan:
WBD/WLD
ōētsjlao (Q117p Nieuwenhagen)
|
Uit de kiem opgroeien, gezegd van planten (uitbotten, kesemen). [N 82 (1981)] || Uitkomen, gezegd van zaden (kesemen, kersten, kenen). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 22399 |
kien! |
kien:
kin (Q117p Nieuwenhagen)
|
Wat roept de speler als hij een rijtje bezet heeft? [katern, hammeke, kien]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|