| 34370 |
neusring |
ring:
reŋk (Q117p Nieuwenhagen)
|
Ring in de neus van het varken die het wroeten moet beletten. [N 19, 26; JG 2c; mongr.]
I-12
|
| 17613 |
neusvleugel |
neusvleugel:
naasvlúgĕḷ (Q117p Nieuwenhagen),
nāsvlūgəl (Q117p Nieuwenhagen)
|
neusvleugel [DC 01 (1931)]
III-1-1
|
| 27826 |
nevengesteente verwijderen |
nastokken:
nǭǝštokǝ (Q117p Nieuwenhagen
[(Oranje-Nassau II / Emma / Hendrik)]
[Domaniale])
|
Het boven en onder de ontgonnen koollaag gelegen nevengesteente in een galerijfront verwijderen. Neven in samenstellingen wordt over het algemeen als een germanisme beschouwd. De Centrale Taalcommissie voor de Techniek (C.T.T.) merkt hierover op (pag. 41): "Ofschoon nieuwe samenstellingen met neven over het algemeen germanistisch aandoen, kunnen zij soms dienen om verschillende betekenissen te onderscheiden (neven, "aangrenzend gesteente" is niet hetzelfde als "bijgesteente")." Volgens de invuller uit Q 33 werd het begrip "stokken" op de mijn Emma gebruikt voor het bijwerken van de vloer (zie ook het lemma Bijwerken). [N 95, 384; N 95, 390; N 95, 927; monogr.]
II-5
|
| 20482 |
nicht |
nicht:
neeg (Q117p Nieuwenhagen)
|
nicht; Bestaan er verschillende woorden voor de verschillende soorten van nichten (kinderen van ooms en tantes, kinderen van broers en zusters, achternichten?) [DC 05 (1937)]
III-2-2
|
| 17698 |
nier |
nier:
neer (Q117p Nieuwenhagen, ...
Q117p Nieuwenhagen)
|
nier [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 18094 |
niersteen |
niersteen:
nēērsjting (Q117p Nieuwenhagen)
|
Nier-, gal- en blaassteen: steenachtige zelfstandigheid in galblaas, nieren of blaas (steen, graveel, graveelsteen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34149 |
niet bevrucht |
mans:
mǫs (Q117p Nieuwenhagen)
|
Niet bevrucht bij dekking, gezegd van de koe. [N C, 19; N C, 18]
I-11
|
| 24716 |
niet gedijen |
slecht gedijen:
WBD/WLD
sjlèg gədijjə (Q117p Nieuwenhagen),
slecht groeien:
WBD/WLD
sjlèg grujjə (Q117p Nieuwenhagen),
slecht wassen:
WBD/WLD
sjlèg wáásə (Q117p Nieuwenhagen)
|
Niet goed groeien, gezegd van planten (niet tieren, niet aarden). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18801 |
niet helder van geest |
dodentig:
döjətig (Q117p Nieuwenhagen)
|
niet helder van geest, zwak van geest [dutselachtig] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20167 |
niet zindelijk |
niet proper:
nit prāōpər (Q117p Nieuwenhagen)
|
onzindelijk; de aandrang der natuurlijke behoeften niet beheersend; onzindelijk, gezegd van kinderen [N 86 (1981)]
III-2-2
|