| 18237 |
oorring |
oorbel:
ōēërbèl (Q117p Nieuwenhagen)
|
zilveren of gouden ring die in elk van beide oren gedragen wordt [oorbel, bel, slinger] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 17873 |
oorveeg |
draai:
drieéë um də ōēërə (Q117p Nieuwenhagen),
oorveeg:
ōērvieg (Q117p Nieuwenhagen),
oorwats:
oerwàtsj (Q117p Nieuwenhagen)
|
Oorveeg: slag om de oren (raps, oorveeg, opneuker, mot, blamot, appelvlink, sabelets, pees, lap, draai, laps, klap, lek, konkel, fleer, hababbel). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24361 |
oorworm |
oorworm:
urwurm (Q117p Nieuwenhagen),
orenkruiper:
urəkrupər (Q117p Nieuwenhagen)
|
oorworm (firficula auricularia) [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 23198 |
op bedevaart gaan |
een bidweg maken:
inne bidweg make (Q117p Nieuwenhagen),
op bedevaart gaan:
op bééëdəvāāt goaë (Q117p Nieuwenhagen)
|
Bedevaart doen [ne gank doon]. [N 06 (1960)] || Een bedevaart doen, op bedevaart gaan [beewegen, beevaarden, bèèverte]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 17935 |
op de loop gaan |
ervandoor gaan:
dər vandŭrg gaoë (Q117p Nieuwenhagen),
hem smeren:
zə`m sjmīērə (Q117p Nieuwenhagen)
|
vluchten: Op de loop gaan (biezen, vluchten, vlieden). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17966 |
op de schouder zitten |
op de pokkel zitten:
bij der pap op der poekel zitte
poekel (Q117p Nieuwenhagen),
op dr poekel drage
poekel (Q117p Nieuwenhagen)
|
rug: bovendeel van de rug [mars, hot] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17949 |
op de tenen lopen |
op de tenen lopen:
op de tíéne loope (Q117p Nieuwenhagen)
|
lopen: op zijn tenen lopen [op zn vurvoete] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 25094 |
op een rij zetten |
op een rij zetten:
ŏp ŭn rĭj zēttə (Q117p Nieuwenhagen)
|
op een rij zetten [hagen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 17934 |
op een sukkeldrafje lopen |
langzaam lopen:
langsaam loope (Q117p Nieuwenhagen)
|
lopen: op een sukkeldrafje lopen [schokke, op n schökske loope] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 21197 |
op reis gaan |
op reis zijn:
Algemene opmerking: heb deze vragenlijst letterlijk overgenomen, dus zoals invuller het genoteerd heeft!
ŏp rēēs ziēë (Q117p Nieuwenhagen)
|
op reis gegaan zijn [te mantij zijn] [N 90 (1982)]
III-3-1
|