| 32624 |
kunstmest |
kunstmest:
køns[mest] (L427p Obbicht)
|
Onder kunstmest worden meststoffen verstaan, die - anders dan stalmest, compost, groenmest, gier e.d. - geen organische stoffen bevatten, maar kunstmatig, langs chemische weg bereid zijn. Van de opgesomde woordtypen lijken de meervoudsvormen de veelheid van kunstmestsoorten tot uitdrukking te brengen. Of en waar de woordtypen vette(n) en vreemde vette(n) als enkelvouds- dan wel als meervoudsvormen moeten worden opgevat, kon uit het materiaal niet worden opgemaakt. Met de typen gemengelde stoffen en alle mest ondereen wordt wellicht de zgn. mengmest of samengestelde kunstmest bedoeld, waarin zowel N (stikstof), als P (fosfor) en K (kali) voorkomen. Voorzover met een kunstmestterm uit deze opsomming een bepaalde soort kunstmest wordt (werd) aangeduid, is daarvan achter het nummer van de betreffende plaats melding gemaakt. Voor het (...)-gedeelte van de varianten hieronder zie men het lemma (stal)mest. [JG 1a + 1b + 1c; JG 2b - 4, 8; JG 2c; N 11, 23 + 24; N 11A, 61; N P, 9 + 10]
I-1
|
| 32629 |
kunstmeststrooier |
kunstmeststrouwer/-strooier:
[kunstmest]strǫi̯ǝr (L427p Obbicht)
|
Bedoeld wordt de machine waarmee kunstmeststoffen gelijkmatig over het land worden verspreid. Voor het (...)-gedeelte van de betrokken varianten hieronder zie men de lemmata kunstmest en stalmest. [N P, 9; N 11A, 65b]
I-1
|
| 19632 |
kussensloop |
kustijk:
kössteek (L427p Obbicht),
køͅstēk (L427p Obbicht),
overtreksel:
uəvərtreͅksəl (L427p Obbicht)
|
Hoe noemt u de overtrek van een hoofdkussen? (kussensloop, kussensloof, kussenzak, fluwijn) [N 104 (2000)] || kussensloop [SGV (1914)]
III-2-1
|
| 19314 |
kwaadspreekster |
klappei:
klappei (L427p Obbicht),
zwetserd:
zjwetsjert (L427p Obbicht)
|
klappei [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 18981 |
kwaadspreker |
kwaadspreker:
koadsprêker (L427p Obbicht)
|
kwaadspreker [SGV (1914)]
III-1-4
|
| 24201 |
kwartel |
kwartel:
kwattel (L427p Obbicht)
|
kwartel [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 21419 |
kwartje |
kwartje:
kwartje (L427p Obbicht),
wülmke (L427p Obbicht)
|
kwartje, een ~ [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 33552 |
kweepeer |
kweepeer:
kweepêr (L427p Obbicht),
kwēpɛr (L427p Obbicht)
|
kwee [SGV (1914)] || kweepeer [SGV (1914)]
I-7
|
| 21344 |
kwellen |
plagen:
Opm. kwèlle(n) betekent: zachtjes laten koken, bijv. vruchte kwèlle.
ploage(n) (L427p Obbicht)
|
kwellen [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 19980 |
kwispelstaarten |
kwispelen:
kwispele (L427p Obbicht),
kwispelen (L427p Obbicht)
|
kwispelstaarten [SGV (1914)]
III-2-1
|