| 18835 |
komisch |
dertussen nemen:
werkwoord
d⁄r tusse neme (L216p Oirlo),
vatten:
werkwoord
vatte (L216p Oirlo)
|
lachwekkend omdat de tegenstelling tussen het gepretendeerde en het werkelijke doorzien wordt [komisch, vies] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 33606 |
komkommer |
komkommer:
kòmkòmmer (L216p Oirlo),
slangkomkommer:
slángkòmkòmmer (L216p Oirlo)
|
komkommer || komkommer, soort —
I-7
|
| 18826 |
kommervol (zijn): kommer |
veel kommer:
veul kômmer (L216p Oirlo)
|
vol leed en zorg [diepzinnig, kommervol] [N 85 (1981)]
III-1-4
|
| 20005 |
konijn |
hangoor:
soort met hangende oren
hángoeër (L216p Oirlo),
konijn:
knien (L216p Oirlo),
kniēn (L216p Oirlo)
|
konijn [SGV (1914)] || konijn, soort
III-2-1
|
| 24322 |
konijnenhol |
hol:
hool (L216p Oirlo),
pijp:
piep (L216p Oirlo)
|
Hoe noemt u het in de grond uitgegraven verblijf van een konijn (kneut, pijp, potje) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 21266 |
koning |
koning:
kunning (L216p Oirlo),
køͅniŋ (L216p Oirlo)
|
koning [RND], [SGV (1914)]
III-3-1
|
| 22518 |
koning en vrouw van een kleur in een hand |
stuk:
stuk (L216p Oirlo)
|
Koning en vrouw van één kleur in één hand [stuk]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 28400 |
koningin |
koningin:
kønǝgen (L216p Oirlo)
|
Het enige volmaakt vrouwelijke dier in een bijenkolonie. Geslachtelijk is de koningin gelijk aan de werkbij, maar in het larvestadium is de aanstaande koningin gevoed met hoogwaardige voedingsstoffen, de koninginnegelei, en de werkbij niet. In ieder volk is slechts één koningin aanwezig. Haar enige taak bestaat in het leggen van eieren. Zij kan bevruchte of onbevruchte eieren leggen. Uit de bevruchte eieren ontstaan werkbijen of eventueel koninginnen, uit de onbevruchte komen de darren. Een koningin kan een leeftijd van vier à vijf jaar bereiken. Is zij niet meer in staat eieren te leggen en daardoor nutteloos geworden voor de kolonie, dan wordt de oude koningin vervangen door een nieuwe. [N 63, 12d; S 3, L 1a-m; JG 1a + 1b; JG 2b-5, 12; R 3, 42; Ge 37, 37; A 9, 3; monogr.]
II-6
|
| 24663 |
koningskaars |
koningskaars:
koningskaars (L216p Oirlo)
|
Koningskaars (verbascum thapsus). Als hierboven. De bloemen staan in groepjes en zijn tot een aar verenigd. Op droge zonnige plaatsen, vooral in de duinen (koningskaars, wolverstaart, wolblaad, zokkebloem, paaskaars, hemelbrand, zachtlap). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 18968 |
konkelen |
konkelen:
zie ook het lemma "konkelfoezen"in WBD dl. III, 3.1 (woordverklaring wijkt inhoudelijk iets af)
kônkele (L216p Oirlo)
|
heimelijk invloed aanwenden om zijn doel te bereiken, met slinkse streken aangaan [kronkelen, kuipen, konkelen, foeken, konkelfoeken] [N 85 (1981)]
III-1-4
|