| 21200 |
rit |
rit:
rit (Q033p Oirsbeek),
tocht:
tog (Q033p Oirsbeek)
|
de afstand afgelegd te paard, per fiets, per auto of op de schaats (tocht, rit) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 25039 |
ritselen |
rispelen:
rispelə (Q033p Oirsbeek),
ritselen:
ritsele (Q033p Oirsbeek)
|
een zacht, onregelmatig, schuifelend, ruisend of krakend geluid geven [ritselen, rispelen, snirsen, krimmelen] [N 91 (1982)] || ritselen [SGV (1914)]
III-4-4
|
| 24647 |
robinia |
acacia:
ideosyncr.
acacia (Q033p Oirsbeek),
WLD
akasia (Q033p Oirsbeek)
|
De acacia; heeft 10-35 cm. grote varenachtige bladeren samengesteld uit deelblaadjes van 3-5 cm lengte; in het begin van de zomerdraagt de boom hangende bloemtrossen; de takken wijzen soms naar boven (acacia, asdoorn). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18058 |
rochelen |
rochelen:
rochele (Q033p Oirsbeek)
|
rochelen [SGV (1914)]
III-1-2
|
| 33478 |
rode aalbes |
rode wiemer:
rooë wiemer (Q033p Oirsbeek),
wiemer:
De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
wiemər (Q033p Oirsbeek),
wiemeren:
wiemere (Q033p Oirsbeek)
|
[DC 13 (1945)]aalbes [N 82 (1981)], [SGV (1914)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
kroot:
krut (Q033p Oirsbeek),
saladekroot:
šlātkrōǝt (Q033p Oirsbeek)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|
| 24508 |
rode bosbes |
bosbes:
ideosyncr.
bosbes (Q033p Oirsbeek)
|
De rode bosbes, vossebes (bospalm, naagdebes, kwachtbes, gourbes, kroos, kreus, rode bleek). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 24405 |
rode bosmier |
rode aamzeik:
fonetisch
rôêë âômzeeke (Q033p Oirsbeek)
|
bosmier, (grote) rode ~ [stekkedraoger, brak] [N 26 (1964)]
III-4-2
|
| 33257 |
rode klaver |
tamme klee:
tām [klee] (Q033p Oirsbeek)
|
Trifolium pratense L. Een 15 tot 50 cm hoge plant met paarsrode of roze bloemhoofdjes, die van juni tot de herfst bloeien. Rode klaver wordt vooral als veevoeder geteeld. Rode klaver gedijt, overigens evenals witte klaver, het best "onder dekvrucht", d.w.z. dat het tegelijk met een winterkoren wordt gezaaid en dan pas opkomt wanneer die dekvrucht in de herfst is geoogst. In het volgende seizoen wordt de klaver dan geweid of enkele malen gemaaid. Rode klaver is wat "kieskeuriger" dan witte klaver, stelt hogere eisen aan de grond, maar schiet goed recht op en laat zich gemakkelijker maaien. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; monogr.]
I-5
|
| 34033 |
rode koe |
rode koe:
rōǝ [koe] (Q033p Oirsbeek)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 124]
I-11
|