| 31618 |
niet |
niet:
nīt (L216a Oostrum)
|
Het gedeelte van de hoefnagel dat na het afknippen enkele millimeters boven de hoef uitsteekt en omgeslagen wordt in de uitholling die met behulp van de onderkapper is vervaardigd. [N 33, 372]
II-11
|
| 30331 |
niet haaks |
schiks:
sxeks (L216a Oostrum)
|
Niet zuiver rechthoekig, gezegd van bijvoorbeeld een werkstuk. [N 53, 199b; monogr.]
II-12
|
| 18801 |
niet helder van geest |
halfwijs:
halfwies (L216a Oostrum)
|
niet goed snik
III-1-4
|
| 18921 |
nietsnut |
laplander:
láplender (L216a Oostrum),
lapzwans:
lápswâns (L216a Oostrum),
strontkerel:
stroontkél (L216a Oostrum),
vuilerd:
voelerd (L216a Oostrum)
|
nietsnut || nietsnut, luilak || nietsnutter, onbehouwen vent || vent van niks, zonder inhoud
III-1-4
|
| 25172 |
nieuwe maan |
nieuwe maan:
Opm. dit is een zijw. uitdrukking (zijw. = zijwoord - zelfst. nw. te vervangen door het pers. vnw. "zij").
neej maon (L216a Oostrum)
|
nieuwe maan
III-4-4
|
| 19010 |
nieuwsgierig |
nieuwsgierig:
nijschiereg (L216a Oostrum),
vraagachtig:
vraogechteg (L216a Oostrum)
|
nieuwsgierig
III-1-4
|
| 19177 |
nieuwsgierigaard |
nieuwsgierige aap:
nijsgieregenaap (L216a Oostrum)
|
nieuwsgierig persoon
III-1-4
|
| 30857 |
nijptang |
knijptang:
kniptáŋ (L216a Oostrum),
nijptang:
nīptaŋ (L216a Oostrum)
|
In dit lemma zijn de benamingen opgenomen voor tangen van diverse vorm en grootte die vooral dienen om spijkers uit trekken, maar vaak ook gebruikt worden om draadnagels of metaaldraad af te knippen. Zie ook afb. 144. Uit het Leuvens materiaal L B2, 228-229 blijkt, dat het woordtype trektang vooral de benaming is voor een vrij grote tang waarmee spijkers kunnen worden uitgetrokken. [N 33, 180; N 64, 47b; L B2, 228-229; monogr.; div.]
II-11
|
| 30108 |
nisbus |
buizegat:
bȳzǝgat (L216a Oostrum)
|
Metalen bus die in de opening voor de rookpijp van een schoorsteen wordt ingemetseld ten einde de kachelpijp op te nemen. De bus bestaat uit een cilinder met vaste kraag en een in de schoorsteen te buigen rand. In deze cilinder zit een tweede cilinder geklonken. [N 32, 26c; monogr.]
II-9
|
| 20401 |
noemen |
noemen:
noemə (L216a Oostrum),
zeggen:
zegge (L216a Oostrum)
|
noemen, een naam geven [DC 03 (1934)]
III-2-2
|