| 17861 |
krioelen |
krioelen:
krieoelt het van volk: veel volk, mensen of dieren.
krieoelen (L416p Opglabbeek),
wemelen:
wemelen (L416p Opglabbeek)
|
Krioelen: zich in alle richtingen dooreen bewegen (event. met veel lawaai) (krioelen, broeliën, krielen, kriewelen, kriemelen, wriemelen, wriemelen, grimmelen, wemelen). [N 84 (1981)] || Krioelen: zich in alle richtingen dooreen bewegen (krioelen, kriemelen, wriemelen, friemelen, wemelen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 18071 |
kroep |
kroep:
kroep (L416p Opglabbeek),
kròp (L416p Opglabbeek)
|
Kroep: ontsteking van het strottehoofd en de luchtpijp die door afzettingen op het slijmvlies gevaar van verstikking met zich meebrengt (kroep, krop, pip). [N 107 (2001)], [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 17579 |
kroeshaar |
kroezelhaar:
kryzəlhōͅr (L416p Opglabbeek)
|
kroeshaar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20120 |
krols |
lopig:
lēͅi̯pex (L416p Opglabbeek)
|
loops, geslachtsdriftig ve kat [N 19 (1963)]
III-2-1
|
| 17894 |
krommen, ombuigen |
buigen:
gəbūūgə (L416p Opglabbeek),
krom maken:
kroemp maken (L416p Opglabbeek)
|
Krommen: een kromme gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien, krom maken) [N 108 (2001)] || Krommen: een kromme, gebogen vorm doen aannemen (krommen, buigen, draaien). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 21502 |
kroon |
kroon:
krū[ə}n (L416p Opglabbeek),
kryn (L416p Opglabbeek),
kroontje:
krī[ə}nkə (L416p Opglabbeek)
|
een kroon [ZND A2 (1940sq)] || kroon [ZND m]
III-3-1
|
| 30146 |
kroonlijst |
kornis:
kǫrnęs (L416p Opglabbeek)
|
Uitspringende sierstrook van bakstenen boven aan de gevel, juist onder de dakgoot. Het woordtype 'muizetand' is specifiek van toepassing op een laag metselwerk waarbij de koppen van de stenen overhoeks worden gelegd, zodat de driehoekige voorsprongen schuine tanden vormen. [N 31, 30a; L 12, 9; monogr.; div.]
II-9
|
| 23381 |
kroonluchter |
luchter:
lugter (L416p Opglabbeek)
|
Een veelarmige lamp in de kerk, luchter, kroonluchter. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 26421 |
kroonrad, kroonwiel |
kroonrad:
krȳǝ.nrā.t (L416p Opglabbeek)
|
Groot horizontaal rad dat in watermolens met meer dan één maalgang op de koning is bevestigd. Het kroonrad doet twee tot vier rondsels draaien die dan elk een steenkoppel kunnen aandrijven. [Vds 80; Jan 105; Coe 91; Grof 101]
II-3
|
| 20591 |
kroppen, gezegd van voedsel |
blijven steken:
bli-jve stééke (L416p Opglabbeek),
blijven zitten:
bli-jve zitte (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U: In de slokdarm blijven steken, gezegd van een hap voedsel (kroppen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|