| 22555 |
liegen (kaartspel) |
liegen:
leege (L416p Opglabbeek)
|
Namen [en beschrijving] van diverse kaartspelen zoals: [bonken, eenentwintigen, hoogjassen, kajoeteren, klaverjassen, kwetten, kruisjassen, liegen, pandoeren, petoeten, schuppemiejen, smousjassen, tikken, toepen, wijveren, zwartebetten, zwartepieten, zwik [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 17647 |
lies |
dunnen:
dęnǝ (L416p Opglabbeek),
liezen:
lē.zǝ (L416p Opglabbeek)
|
De twee huidplooien die de grens vormen tussen het onderste gedeelte van de buik en het bovenste gedeelte van het been. Zie afbeelding 2.28. [JG lb; N 8, 32.10]
I-9
|
| 24343 |
lieveheersbeestje |
lieveheersbeestje:
livvenhiêrsbiêsje (L416p Opglabbeek)
|
lieveheersbeestje
III-4-2
|
| 17816 |
liggen |
liggen:
legə (L416p Opglabbeek),
ligge (L416p Opglabbeek)
|
liggen [ZND 25 (1937)]
III-1-2
|
| 33474 |
liggend dakvenster |
dakvenster:
dākvenstǝr (L416p Opglabbeek),
dakvenstertje:
dāk˲venstǝrkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een dakvenster is een liggend raampje op het dak dat meestal geopend kan worden en dat dient ter belichting en beluchting van de zolder, ook wel als toegang tot het dak bij bijv. reparaties of om door naar buiten te kijken. Het is meestal te klein om hooi door te laten, maar grotere vensters kunnen wel daartoe dienen (zie het lemma "hooivenster", 3.4.5). [N 4A, 45c; monogr.]
I-6
|
| 26438 |
ligger |
ligger:
leqǝr (L416p Opglabbeek)
|
De onderste, stilliggende molensteen. [N O, 17d; A 42A, 32; N D, 6; Sche 48; Vds 86; Jan 120; Coe 97; Grof 118; monogr.]
II-3
|
| 18831 |
lijden |
lijden:
lijə (L416p Opglabbeek),
lett. en fig.
li-je (L416p Opglabbeek)
|
lijden [ZND A2 (1940sq)] || pijn hebben
III-1-4
|
| 34185 |
lijfbieden, prolapsus vaginae |
(de) koning laten kijken:
(de koe) lēt dǝ kīneŋ kīkǝ (L416p Opglabbeek),
de rooi laten zien:
(de koe) lēt dǝ rȳǝ zēn (L416p Opglabbeek)
|
Het uitzakken van de bovenrand van de schede, die dan vooral bij liggende dieren buiten de schaamlippen te voorschijn komt als een roze bal, die meestal gauw min of meer ontstoken raakt. Een prolapsus vaginae ontstaat wanneer er een verslapping optreedt in het weefsel dat de vagina vasthoudt in het bekken. [N 3A, 97; N 52, 30a; A 48A, 44a]
I-11
|
| 20254 |
lijkenhuisje |
dodenhuisje:
duudehieske (L416p Opglabbeek),
lijkenhuisje:
lieke huuske (L416p Opglabbeek)
|
Het gebouwtje op of bij het kerkhof, waar de lijkbaar staat en waar men vroeger zo nodig een lijk tijdelijk onderbracht [lijkenhuisje, liek(e)huuske, dodenhuisje, doeëdehuus-je?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 20466 |
lijkwagen |
doodswagen:
dŭŭdswagə (L416p Opglabbeek)
|
de lijkwagen [doeëdewaan] [N 96D (1989)]
III-2-2
|