e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
martelen martelen: martələ (Opglabbeek) martelen [ZND A1 (1940sq)] III-3-1
marter fis: steenmarter ondergebracht bij marter, alg.  ves (Opglabbeek) steenmarter [ZND 07 (1924)] III-4-2
masker mombakkes: moembakkes (Opglabbeek), mumbakəs (Opglabbeek), ouder  mōmbakəs (Opglabbeek), mommegezicht: mōməgəzex (Opglabbeek) Een masker (dat op vastenavond gedragen wordt). [ZND 31 (1939)] || Een min of meer naar de vorm van het gezicht gemaakte bedekking die dient om dit onherkenbaar te maken of er een bepaalde gedaante aan te geven [mombakkes, mommegezicht, bambakkes, masker]. [N 88 (1982)] III-3-2
masteluin masteluin: masteluin (Opglabbeek) Menggewas, vooral rogge en tarwe dooreen; vroeger bakte men er brood van ("masteluinbrood"), nu wordt het alleen nog als groenvoer gezaaid. Indien het mengsel een andere samenstelling heeft dan rogge en tarwe, dan wordt dat in het lemma aangegeven. De opgaven "groenvoer" zijn in het lemma ''groenvoer'' (1.2.14) ondergebracht. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [koren], zie het lemma ''rogge'' (1.2.4), resp. ''graan, koren'' (1.2.1). [L 39, 15; L lijst graangewassen, 5; monogr.; add. uit L 48, 26; Lu 2, 26] I-4
masturberen (-) aftrekken: zich ijnə āāftrékkə (Opglabbeek), afspelen: āāfspiĕlə (Opglabbeek, ... ), zich een aftrekken: zich ijnə āāftrékkə (Opglabbeek) onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10C (1995)], [N 10C (zj)] III-2-2
mathaak haak: hǭk (Opglabbeek), pik: pek (Opglabbeek), pikhaak: pekhǭk (Opglabbeek), zichthaak: [zicht]hǭk (Opglabbeek) Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2] I-4
matkopmees bijmeesje: biemeske (Opglabbeek), mees: mees (Opglabbeek) matkop III-4-1
matras beddenzak: ook màtrás  béddezàk (Opglabbeek), matras: màtràs (Opglabbeek) Het algemene woord voor een met stro, paardehaar, kapok, veren enz. stijf gevulde beddezak die dient als onderbed (matras, bed) [N 79 (1979)] III-2-1
matsen profiteren (<fr.): proͅfətērə (Opglabbeek) In het voordeel van een ander spelen, met een andere speler samenspelen [materen, opeenspelen, opspannen]. [N 88 (1982)] III-3-2
mayonaise mayonaise: màjjənéés (Opglabbeek) mayonaise [RND] III-2-3