| 19185 |
martelen |
martelen:
martələ (L416p Opglabbeek)
|
martelen [ZND A1 (1940sq)]
III-3-1
|
| 24350 |
marter |
fis:
steenmarter ondergebracht bij marter, alg.
ves (L416p Opglabbeek)
|
steenmarter [ZND 07 (1924)]
III-4-2
|
| 22440 |
masker |
mombakkes:
moembakkes (L416p Opglabbeek),
mumbakəs (L416p Opglabbeek),
ouder
mōmbakəs (L416p Opglabbeek),
mommegezicht:
mōməgəzex (L416p Opglabbeek)
|
Een masker (dat op vastenavond gedragen wordt). [ZND 31 (1939)] || Een min of meer naar de vorm van het gezicht gemaakte bedekking die dient om dit onherkenbaar te maken of er een bepaalde gedaante aan te geven [mombakkes, mommegezicht, bambakkes, masker]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 32983 |
masteluin |
masteluin:
masteluin (L416p Opglabbeek)
|
Menggewas, vooral rogge en tarwe dooreen; vroeger bakte men er brood van ("masteluinbrood"), nu wordt het alleen nog als groenvoer gezaaid. Indien het mengsel een andere samenstelling heeft dan rogge en tarwe, dan wordt dat in het lemma aangegeven. De opgaven "groenvoer" zijn in het lemma ''groenvoer'' (1.2.14) ondergebracht. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [koren], zie het lemma ''rogge'' (1.2.4), resp. ''graan, koren'' (1.2.1). [L 39, 15; L lijst graangewassen, 5; monogr.; add. uit L 48, 26; Lu 2, 26]
I-4
|
| 20469 |
masturberen |
(-) aftrekken:
zich ijnə āāftrékkə (L416p Opglabbeek),
afspelen:
āāfspiĕlə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
zich een aftrekken:
zich ijnə āāftrékkə (L416p Opglabbeek)
|
onanie plegen, zichzelf bevlekken [zn eige aftrekke, afspelen] [N 10C (1995)], [N 10C (zj)]
III-2-2
|
| 33044 |
mathaak |
haak:
hǭk (L416p Opglabbeek),
pik:
pek (L416p Opglabbeek),
pikhaak:
pekhǭk (L416p Opglabbeek),
zichthaak:
[zicht]hǭk (L416p Opglabbeek)
|
Doorgaans licht gebogen ijzeren tand aan een houten steel, die bij het maaien met de zicht gebruikt wordt om het graan bij het eigenlijke inkappen op te tillen en om het afgeslagen graan bij elkaar te trekken. In de volgende plaatsen geen specifieke benaming bekend: L 316, 317, 355, 356, 358, 363, 365, 366, 368, 413. Voor de fonetische documentatie van het woorddeel [zicht]- zie het lemma ''zicht'' (4.3.1). Vergelijk ook de betekeniskaart 30 bij het lemma ''zicht'' (4.3.1) voor de geografische uitbreiding van pik in de betekenis "zicht" naast die van pik in de betekenis "mathaak". Zie afbeelding 5. [N 18, 72 en 73; JG 1a, 1b, 2c; A 14, 10; L 45, 10; R 3, 66; Gwn 7, 5; monogr.; add. uit N 11, 88; N 15, 16c en 16g; A 4, 28; A 23, 16.2; L 20, 28; Lu 1, 16.2]
I-4
|
| 24208 |
matkopmees |
bijmeesje:
biemeske (L416p Opglabbeek),
mees:
mees (L416p Opglabbeek)
|
matkop
III-4-1
|
| 19393 |
matras |
beddenzak:
ook màtrás
béddezàk (L416p Opglabbeek),
matras:
màtràs (L416p Opglabbeek)
|
Het algemene woord voor een met stro, paardehaar, kapok, veren enz. stijf gevulde beddezak die dient als onderbed (matras, bed) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 22491 |
matsen |
profiteren (<fr.):
proͅfətērə (L416p Opglabbeek)
|
In het voordeel van een ander spelen, met een andere speler samenspelen [materen, opeenspelen, opspannen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 20909 |
mayonaise |
mayonaise:
màjjənéés (L416p Opglabbeek)
|
mayonaise [RND]
III-2-3
|