| 18129 |
mazelen |
mazelen:
mazele (L416p Opglabbeek),
māzələ (L416p Opglabbeek)
|
de mazelen (kinderziekte) [ZND 31 (1939)]
III-1-2
|
| 23744 |
medaillon met lam gods |
agnus dei:
agnus dei (L416p Opglabbeek)
|
Een hartvormig medaillon van was, waarop een lam met kruisvaan is afgebeeld. Dit medaillon werd gedragen [Agnus Dei, Lam Gods?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18855 |
medelijden |
compassie:
koempassie (L416p Opglabbeek),
ich wuiw det ich kòmpassie möt dich kos höbbe: tegen iemand die onterecht aan het klagen is (klage möt gezòn bein)
kòmpassie (L416p Opglabbeek)
|
medelijden [ZND 33 (1940)]
III-1-4
|
| 18161 |
medicijn |
pil:
pillen (L416p Opglabbeek)
|
Medicijn, geneesmiddel (geneesmiddel, medicijn, medicament, (pillen)) [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 23682 |
meditatie |
meditatie (<fr.):
meditatie (L416p Opglabbeek)
|
Een meditatie, geestelijke overweging. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 21038 |
meel |
havermeel:
hāvǝrmę̄.l (L416p Opglabbeek),
meel:
mę̄.l (L416p Opglabbeek),
mę̄l (L416p Opglabbeek),
roggemeel:
rǫgǝmę̄.l (L416p Opglabbeek)
|
Het gemalen, maar nog niet bewerkte graan. Het woordtype boulté, het voltooid deelwoord van het Waalse ɛboulterɛ, ɛbouleterɛ, ø̄builenø̄, duidt er mogelijkerwijs op dat het graan in de genoemde plaatsen al een bepaalde bewerking heeft ondergaan. Zie ook het lemma ɛgemalen, niet gezuiverd graanɛ in wld II.1, pag. 85.' [Wi 53; JG 1a; JG 1b; l monogr.; N O, 37b; Sche 49; Sche 55; Vds 144; Vds 145; Vds 159; Jan 151; Jan 167; Jan 242; Coe 152; Coe 217; Grof 153; Grof 176; monogr.; Vld; Jan 9; Jan 10; Jan 11; Jan 14; Coe 9; Coe 14; N O, 24a; A 42A, 40; N D, 23; A 42A, 36 add.; N O, 19b]
II-3
|
| 33150 |
meelschepje |
meelschupper:
mē̜lšępǝr (L416p Opglabbeek)
|
Een houten vat voorzien van een steel dat diende om droog meel te scheppen. Vergelijk de lemma''s ''graanschop, schepschop'' (6.3.13) en ''graanschep'' (6.3.15). [N 18, 9b]
I-4
|
| 25524 |
meelzeef |
zeef:
zīǝ.f (L416p Opglabbeek),
zɛ̄f (L416p Opglabbeek)
|
Handwerktuig waarmee men de grovere bestanddelen uit het meel kan zeven. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømeelŋ- het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 38b; N 18, 136; JG 1c; JG 2c; l 48, 35II; Lu 2, 35II; Grof 256; monogr.; JG 1b add.]
II-3
|
| 32759 |
meer dan een spade diep spitten |
diep omzetten:
dēp˱ omzętǝ (L416p Opglabbeek)
|
Om de ondergrond los te maken of naar boven te halen, moet men dieper spitten dan normaal. Men kan dan bij het graven van een voor op elke "bovenste" steek een diepere steek laten volgen, ofwel een gewone voor spitten om deze vervolgens dieper uit te steken. [N 11, 66; N 11A, 148c + d; N 27, 10a add.]
I-1
|
| 34229 |
meer melk gaan geven |
bijkomen:
(de koe) kɛmt bī (L416p Opglabbeek),
bikūi̯mǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 3A, 68]
I-11
|