| 17668 |
middelvinger |
middenste vinger:
middeste vinger (L416p Opglabbeek),
middenvinger:
míḍəvíngər (L416p Opglabbeek)
|
Middelvinger: de middelste, langste vinger (middelvinger, langelierboom, langeman). [N 84 (1981)] || Middelvinger: de middelste, langste vinger (middelvinger, middelste vinger, langeman, lang(st)e vinger). [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 33785 |
middendeel van het paard |
romp:
ro.mp (L416p Opglabbeek)
|
De middel- of middenhand van het paard, in tegenstelling met ''voorste deel van het paard tot achter de voorbenen'' (3.1.3) en ''achterhand van het paard'' (3.3.14). [JG 1a, 1b; N 8, 12]
I-9
|
| 31586 |
middennaafbanden |
naafbanden:
nāf˱bɛn (L416p Opglabbeek)
|
De ijzeren banden om het brede gedeelte van de naaf, aan weerszijden van de spaken. Zie ook afb. 214 en de lemmata ɛmuilbandɛ en ɛachternaafbandɛ.' [N G, 43e; N 17, 60; JG 1a; JG 1b; L 39, 22 add.; monogr.; div.]
II-11
|
| 23353 |
middenschip |
schip:
sjiep (L416p Opglabbeek)
|
De hoofdruimte, de grote middelruimte van een kerkgebouw [schip, langschip, middenschip, middelsjeep?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 24352 |
mier |
aamzeiksel:
oamzeiksel (L416p Opglabbeek),
ook in ZND 08, 152a
mōͅmzɛi̯ksəl (L416p Opglabbeek),
kormet:
ook in ZND 08, 152a
koͅrmeͅt (L416p Opglabbeek),
zeikworm:
zeîkwörm (L416p Opglabbeek)
|
mier [ZND 01 (1922)]
III-4-2
|
| 24353 |
mijt |
mijt:
mi-jt (L416p Opglabbeek)
|
mijt (insect)
III-4-2
|
| 33094 |
mijt afdekken |
dekken:
dękǝ (L416p Opglabbeek)
|
De korenmijt van een dak voorzien. Zie de toelichting bij het lemma ''buitenstaande korenmijt'' (5.1.18). Bij besteken merkt Goossens in zijn materiaal op: "meer speciaal de grote band om de kop". [N 15, 45a; JG 1a, 1b, 2c; monogr.]
I-4
|
| 28569 |
mijtziekte |
mijtziekte:
mijtziekte (L416p Opglabbeek)
|
Acariose. Ziekte in de luchtwegen, veroorzaakt door de Acarismijt. Deze mijt dringt de luchtwegen van de bij binnen en voedt zich met lichaamssappen. De afscheidingsprodukten van de mijten vergiftigen langzaam de getroffen bij. Door snelle vermenigvuldiging van de mijten verstoppen de luchtbuizen, zodat de bij sterft. Bij sterke aantasting kunnen gehele kolonies bijen aan deze ziekte ten onder gaan. Chemische medicamenten kunnen ter bestrijding toegediend worden. Tot voor kort werd deze ziekte bestreden door het doden van bijenvolken en vervoersverboden door de overheid. [N 63, 71b; N 63, 71a; monogr.]
II-6
|
| 21745 |
mikken |
mikken:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
mīkkə (L416p Opglabbeek),
ogen:
ɛ.igə (L416p Opglabbeek)
|
lonken (mikken) [RND] || scherp kijken naar en richten op het doel dat men wil raken met een vuurwapen [mikken, mieren, aanleggen] [N 90 (1982)]
III-3-1, III-3-2
|
| 25320 |
millimeter, maat, 1000ste deel van een meter |
millimeter:
mīēlīēméétər (L416p Opglabbeek)
|
het duizendste deel van een meter [millimeter, streep] [N 91 (1982)]
III-4-4
|