| 28493 |
moerloos |
moerloos:
mūrlōs (L416p Opglabbeek)
|
Staat van een bijenvolk waarbij er geen koningin is. De imker zal er alles aan doen om deze moerloosheid zo spoedig mogelijk op te heffen. [N 63, 60a; Ge 37, 46]
II-6
|
| 33556 |
moestuinx |
groentenhof:
grēntəny(3)̄əf (L416p Opglabbeek),
groententuin:
grēntənty(3)̄n (L416p Opglabbeek),
hof:
huuf (L416p Opglabbeek),
hū.əf (L416p Opglabbeek),
hūəf (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
hy(3)̄f (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek,
L416p Opglabbeek,
L416p Opglabbeek),
hyəf (L416p Opglabbeek),
tuin:
tuən (L416p Opglabbeek)
|
[Goossens 1a (1955)] [N 05A (1964)] [ZND 01 (1922)] [ZND 19B (1936)] [ZND 27 (1938)] [ZND 44 (1946)]hof, groentetuin
I-7
|
| 20596 |
moezen |
prets:
pretsj (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
tot moes koken:
tot moos kūke (L416p Opglabbeek)
|
moes worden; Hoe noemt U: Tot moes koken (moezen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 18269 |
mof |
mof:
mof (L416p Opglabbeek),
muf (L416p Opglabbeek)
|
damesmof (hoe heet een damesmof, namelijk een cylindervormige koker van bontwerk, dienend om de handen warm te houden) [ZND 39 (1942)] || mof, koker van bont waarin met beide handen steekt [mof, moef, sjtoek] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 27340 |
moker |
hamer:
hāmǝr (L416p Opglabbeek)
|
Zware, vierkante ijzeren hamer met zeer korte steel voor het slopen van metselwerk. Zie ook afb. 12. Vgl. voor het eerste lid van het woordtype 'brokkeljonhamer' ook het Franse 'briquaillons' en het Waalse 'bricayons' ('steenpuin'). [N 30, 18b; N 30, 18a; monogr.]
II-9
|
| 32858 |
mol |
mol:
mǫ.l (L416p Opglabbeek
[(thans)]
),
woutworm:
wő̜u̯.twę.rǝm (L416p Opglabbeek)
|
Het in de grond levend, zwart zoogdier iets groter dan een muis dat de molshopen opwerpt; het heeft een spitse snuit en graafklauwen: Talpa europaea. Hoewel niet alle mollesoorten blind zijn, wordt de mol algemeen voor blind gehouden. De boeren beschouwden het als een schadelijk dier op hun cultuurgrond, dat bestreden moest worden; bovendien was het bont van de mol gewild. Zie ook de toelichting bij het lemma ''molshoop''. Om de vergelijking van de lemma''s ''mol'' en ''molshoop'' te vergemakkelijken en daar in enkele streken hetzelfde woord voor mol en molshoop voorkomt, is ook hier het woord in z''n geheel gedocumenteerd en is zoveel mogelijk dezelfde volgorde in de woordtypen en de varianten aangehouden. In kaart 3 is door middel van toegevoegd zwart in een symbool of door een combinatie van symbolen aangegeven waar de woorden voor mol en molshoop identiek zijn. In kaart 4 is aangegeven waar het algemeen Nederlandse type mol het dialektwoord aan het vervangen is. [N 14, 80b; JG 1a, 1b, 1c, 2c; A 18, 12; A 7, 6; L 1 a-m; L 1u, 165; L 3, 7; L 14, 10; L 16, 3; L B2, 311; L A1, 228; S 24; R 3, 21; Gwn 6, 9; add. uit RND 48 en 84; monogr.]
I-3
|
| 25957 |
molen |
molen:
mīǝ.lǝ (L416p Opglabbeek)
|
Algemene benaming voor zowel het werktuig waarmee men verschillende stoffen fijnmaakt, als voor het gebouw waarin het maalproces plaatsvindt. De specifieke benamingen voor het maalwerktuig zijn bijeengeplaatst in het lemma ɛmaalgangɛ. In dit lemma zijn de dialectvarianten van molen met umlautsvocaal niet van een apart woordtype voorzien. Zie hiervoor ook de ɛinleidingɛ op het WLD, pag. 35-38.' [N O, 32i; JG 1a; JG 1b; S 24; Wi 4; Wi 51, l 1a-m; l 30; l 31; A 42, 2; A 42A, 51; Vds 1; Jan 1; Coe 1; Grof 1; Sche 1; monogr.; div.; A 43, 5; ND, 3; ND add.; Vld]
II-3
|
| 25946 |
molenaar |
muller/mulder:
mø̜lǝr (L416p Opglabbeek),
męlǝr (L416p Opglabbeek)
|
[N O, 40a; A 42A, 49; JG 1a; JG 1b; l 1a-m; S 24; Wi 53; Sche 7; Vds 264; Jan 285; Coe 234; Grof 261; monogr.; Vld]
II-3
|
| 26338 |
molenbed |
molenbed:
[molen]bęt (L416p Opglabbeek)
|
In kleine watermolens een verlaagde plaats in de vloer van de benedenverdieping waar de molenaar de volle zakken legt (Janssen, pag. 131). Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel ømolenŋ- het lemma ɛmolenɛ.' [Jan 255; Coe 233]
II-3
|
| 26410 |
molenboom |
as:
as (L416p Opglabbeek)
|
De van hout of ijzer vervaardigde as die het waterrad draagt bij een watermolen. Het woordtype molenboom is in Q 88, Q 162, Q 188, Q 240 en Q 241 specifiek van toepassing op een uit een boomstam vervaardigde as. In Q 164 was de molenas uit eikehout gemaakt. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [Vds 64; Jan 74; Coe 66; Grof 83; A 42A, 3]
II-3
|