| 17759 |
mond (spotnamen) |
muil:
mul (L416p Opglabbeek)
|
muil [ZND m]
III-1-1
|
| 34207 |
mond- en klauwzeer |
pootziekte:
pytzēkdǝ (L416p Opglabbeek),
pȳtzēkdǝ (L416p Opglabbeek),
pȳǝtzēkdǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een zeer besmettelijke ziekte, veroorzaakt dor een virus. De eerste verschijnselen zijn stijfheid, vermindering in de melk, hoge koorts, sterke speekselafscheiding. Daarna ontstaan er blaren op het slijmvlies van de mond en de tong, aan de spenen en tussen de klauwen. Ook inwendig kunnen blaren voorkomen. De grootste schade wordt veroorzaakt door allerlei bij- en naziekten zoals verwerpen bij drachtige dieren, zeer ernstige uierontstekingen, langdurige kreupelheden, klauwontstekingen en misvormingen van de klauwen, uitgebreide etteringen en longaandoeningen (Berns 1983, blz. 181). Zie ook het lemma ''mond- en klauwzeer'' in wbd I.3, blz. 484-486. De gegevens van A 48A, 21 zijn verwerkt in de aflevering over het kleinvee (wld I.12) in het lemma ''mond- en klauwzeer'' (1.1.7). [N 3A, 80a; monogr.] || Ziekte waarbij de mond en de klauwen van de varkens zijn aangetast; de dieren weigeren alle voedsel. Het is een besmettelijke ziekte. [N 76, 53; A 48a, 21; monogr.]
I-11, I-12
|
| 22684 |
mondharmonica |
monica:
mūnəkā (L416p Opglabbeek)
|
Het muziekinstrument dat langs de mond op en neer bewogen wordt en waarop geluid gemaakt kan worden door blazen en zuigen [fiep, moelfiep, noeneke, mondharmonika, muziek]. [N 90 (1982)]
III-3-2
|
| 25063 |
mondvol |
hap:
ein hab âfbitə (L416p Opglabbeek),
habbe (L416p Opglabbeek),
happe (L416p Opglabbeek),
mondvol:
ein moendvol aafbieten (L416p Opglabbeek),
slok:
vloeistof.
slōēk (L416p Opglabbeek)
|
de hoeveelheid vloeistof of voedsel die men in één keer in de mond kan nemen [mondvol, moffel] [N 91 (1982)] || hap (mondvol) (afbijten) [ZND 32 (1939)]
III-4-4
|
| 18569 |
monicazak |
monicazak:
monikazak (L416p Opglabbeek)
|
een binnenzak met ruimte tussen de zak en het pand (monikazak?) [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 23222 |
monnik |
monnik:
eine moennek (L416p Opglabbeek),
einə monək (L416p Opglabbeek)
|
Een monnik. [ZND 31 (1939)]
III-3-3
|
| 24502 |
monnikskap |
duivelskoren:
di-jvelskure (L416p Opglabbeek)
|
monnikskap
III-4-3
|
| 23440 |
monstrans |
monstrans (lat.):
monstrans (L416p Opglabbeek)
|
Een monstrans, een gouden of zilveren, meestal zonvormig vaatwerk waarin de H. Hostie ter aanbidding wordt uitgesteld. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33922 |
mooi pratend het paard op de nek kloppen |
bekallen:
bǝkalǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 8, 103e]
I-9
|
| 25169 |
mooi, helder weer |
schoon weer:
sjōēn wéér zeen (L416p Opglabbeek),
sjuun wèèr (L416p Opglabbeek)
|
mooi weer zijn, gezegd van het weer [weren] [N 81 (1980)]
III-4-4
|