| 24356 |
mug |
mug:
mègk (L416p Opglabbeek)
|
mug
III-4-2
|
| 20598 |
muik |
kelder:
kaller (L416p Opglabbeek),
kàllər (L416p Opglabbeek),
kuil:
kuil (L416p Opglabbeek),
kul (L416p Opglabbeek),
onder de grond
kŭŭl (L416p Opglabbeek)
|
mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33767 |
muil |
muil:
mū.l (L416p Opglabbeek)
|
Zie afbeelding 2.9. [JG 1a, 1b]
I-9
|
| 26147 |
muilband |
naas:
nās (L416p Opglabbeek),
snuitband:
snū.t˱bá.nt (L416p Opglabbeek
[(mv -bɛn)]
)
|
Brede, ijzeren band om het uiteinde van de naaf die voorkomt dat er aarde en modder op het aseinde terechtkomt. De muilband heeft soms een rechthoekig uitgekapte opening die afgedekt wordt met een klepje. Door de opening kan men de luns uit de as trekken zodat het wiel van de as kan worden verwijderd, bijvoorbeeld wanneer de as gesmeerd moet worden. Zie ook afb. 214. [N G, 43c; N 17, 60a; JG 1a; JG 1b; Vld.; div.]
II-11
|
| 34223 |
muilkorf voor kalveren |
muntel:
mɛnjdjǝl (L416p Opglabbeek)
|
De muilkorf voor kalveren die geen hooi mogen vreten. [N 3A, 14e]
I-11
|
| 18308 |
muiltje |
aansteker:
ānsteͅkərs (L416p Opglabbeek)
|
muiltjes, pantoffels zonder hielstuk [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24357 |
muis |
muis:
mûs (L416p Opglabbeek),
muisje:
mi-jske (L416p Opglabbeek)
|
muis || muisje
III-4-2
|
| 17663 |
muis van de hand |
schenk:
šoŋk (L416p Opglabbeek)
|
muis van de hand (het onderste, vlezige deel van de duim) [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20122 |
muizen |
muizen:
muze (L416p Opglabbeek),
myzə (L416p Opglabbeek)
|
de katten muizen [ZND 31 (1939)]
III-2-1
|
| 33687 |
mulle grond |
moude:
mø̜i̯w (L416p Opglabbeek)
|
Droge losse grond, zonder kluiten. [N 27, 37a; monogr.]
I-8
|